elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nameten

nameten , noameten , kotsen, overgeven als dit het gevolg is van onmatig drinken, en schertsend zegt men tegen zoo iemand dat hij een wantrouige kerel is. Zuid-Limburgsch noaméète = overgeven.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
nameten , noametn , werkwoord , braken door drankmisbruik
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
nameten , naomaete , mout nao, haet of is naogemaete , nameten.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
nameten , noamèten , 1. nameten. 2. eten, dat in slierten aan elkaar kleeft. 3. overgeven, braken na teveel eten of drinken.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
nameten , noametten , metten noa, noa emetten , nameten; * hi was an ’t noametten of e zien portie wè ekreeng had: hij moest braken na overmatig eten of drinken.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
nameten , naometen , sterk werkwoord, overgankelijk , nameten Ik vertrouw dat niet, ik wil dat ies naometen (Eke), Die wil èven naometen, of hie wel genogt had hef gezegd als iemand staat te braken na dronkenschap (Hol), vandaar Hij stun bai de boom te naometen (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
nameten , naomèète , braken , Die manne kunne veul innèmme mér lék ik hur duun ze ók veul ôn naomèète. De jongelui kunnen veel drinken maar zoals ik hoor geven ze ook veel over.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
nameten , naometen , werkwoord , 1. nameten 2. overgeven
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
nameten , naomèten , (werkwoord) , nameten.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
nameten , nòmeete , zwak werkwoord , "Van Delft - ""Hij heeft den kastelein nagemeten"" zegt men van iemand, die te veel gedronken heeft en daarna gebraakt. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal