elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nattigheid

nattigheid , nattegaejd , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , 1 vochtigheid, 2 regen, mist
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
nattigheid , naaticheit , vrouwelijk , naaticheite , nattigheid.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
nattigheid , nattigheid , de , 1. het nat zijn Mit disse nattigheid kuj in het lege laand niks begunnen (Wsv), Deur de nattigheid luten de koenen of in de melk door het regenachtige weer (Sle), (fig.) Hie vuulde nattigheid en gung er vandeur (Schl) 2. vocht Der valt wat nattigheid. Het holdt het midden tussen hagel en snei (Nam), Die bak is lek, der komp nattigheid deur (Hol) 3. ruzie (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied) Daor kun wel ies nattigheid van komen (Pes)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
nattigheid , natigheid , (vrouwelijk) , nattigheid , Wie d’r mich aan zaag kómme, veuldje hae al natigheid.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
nattigheid , natigheîd , natigheid , nattigheid
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
nattigheid , natteghèd , zelfstandig naamwoord , nat weer; We krèège nòg veul natteghèd; Antw. NATTIGHEID zelfstandig naamwoord, vrouwelijk. - regen, sneeuw, stofregen (ook in Brab.)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
nattigheid , natigheid , nattigheid
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal