elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: noorden

noorden  , naorde , noorden.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
noorden , noorn , zelfstandig naamwoord, onzijdig , Noorden. t Noorn gef neet wat, mer t neamp ook neet wat, Noordewind is niet groeizaam, maar geeft ook geen gevaarlijke nachtvorst; t Noorn is de moo van t wear, in ’t Noorden kan men ’s morgens zien wat voor weer het wordt
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
noorden , naorde , onzijdig , noorden.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
noorden , noorden , het , 1. windrichting De wiend zit alle dagen mar in het noorden (Pes), De zwanen trekt naor het noorden in noordelijke richting (Anl) 2. noordelijke provincies Ze kunt wal hèuren, dat wij oet het noorden komt (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
noorden , noorden , noorden
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
noorden , noearde , (onzijdig) , noorden
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
noorden , noeërde , noorde , zelfstandig naamwoord, onzijdig , eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; noorden
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
noorden , norde , zelfstandig naamwoord , het noorden; Henk van Rijen: noorden
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal