elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: omsteken

omsteken , omsteken , (sterk werkwoord, intransitief) , Door het vooruitsteken van de hand en het raden naar de inhoud, bepalen wie van twee personen iets hebben zal, wie met iets beginnen mag (bij spelen), enz. Meestal van kinderen. De een neemt een aantal knikkers, centen of andere kleine voorwerpen in de éne hand en steekt die vooruit; de ander moet dan raden of de inhoud onk of eef is. || We zellen omsteken wie ’et stuk koek krijgt. We hebben al om’estoken. – Synon. uitsteken.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
omsteken , ōmstoken* , bij v. Dale onderstoken, ook wel: ondergestoken.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
omsteken , ummestekng , werkwoord , tegen elkaar ruilen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
omsteken , omsteke , werkwoord , in de zegswijze d’r om omsteke, door het vooruitsteken van de gesloten hand en het raden van de inhoud (bv. het aantal lucifers) bepalen wie van twee of meer personen iets krijgt, met een spel mag beginnen, het gelag moet betalen e.d. Vgl. uitsteke en knobbele.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
omsteken , umsteken , sterk werkwoord, onovergankelijk , 1. ruilen Zu’w umsteken? (Sle), Liek omsteken gelijk oversteken (Row), Geliek umsteken, aans is het niet eerlijk (Bei) 2. er op losslaan (N:Zuidwest-Drenthe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
omsteken , ommestikken , werkwoord , 1. er her en der in steken 2. ruilen, de ander aanreiken 3. de pen die in de grond zit en waaraan een kalf of geit is vastgezet, op een andere plaats in de grond steken 4. in een andere stand brengen van een rister 5. verwisselen, ruilen van plaats, positie
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
omsteken , omsteeke , werkwoord , steek om, stak om, omgestooke , raden, omstaan (bij kinderspel een vorm van loten; één kind staat met de rug naar de groep en zegt willekeurig ‘ja’ of ‘nee’ als iemand wordt aangewezen; ook kan men laten raden hoeveel steentjes men in de hand heeft, of laten gissen naar ‘even’ of ‘oneven’) We zelle omsteeke wie of datter mag beginne Zie ook bôôñtjiekippe, bamzaoie
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal