elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ongel

ongel , ongel , (mannelijk) , rundervet.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
ongel , ōngel , in ʼt Oldampt en Westerwolde het losse vet van een geslacht rund of schaap; in de Ommelanden het gesmolten vet er van; de kou het honderd pond ōngel had (Oldampt) = – smeer (Ommelanden) Algemeen zegt men ōngel ter onderscheiding van russel = reuzel, varkensvet. Oostfriesch, Westfaalsch unger, ungel, van ʼt Latijn ungere = zalven. (v. Dale: ongel = gesmolten vet van slachtbeesten. Vgl.: talk.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ongel , ongel* , bij v. Dale = gesmolten vet.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
ongel , ongel , varkensvet
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
ongel , onge , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , varkensvet
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
ongel , ongel , ongel = harde dierlijke vetsoort
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
ongel , ungel , mannelijk , ungele , ungelke , saai wijsje of deuntje.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
ongel , ongel , vet, plukvet, reuzel.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
ongel , ongel , de , vet van rund, schaap of varken Deur de ongel weur stroep deur daon en dan deden ze dat op de stoet (Oos), Aj as kinder verkolden wassen, dan dee mien moeder oes een stuk grauw papier op de burst, waor ongel op smeerd was (Bui), Ongel wuur broekt bij wrang (Wee), z. ook ongellap
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ongel , ongel , (Gunninks woordenlijst van 1908) gesmolten vet
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
ongel , ongel , vet.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
ongel , ongel , zelfstandig naamwoord , de 1. litermaat 2. ongel, uitgesmolten vet, reuzel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal