elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: onzalig

onzalig , onzelig , vuil, walgelijk morsig. Die zich van binnen niet zuiver naar den ligchame gevoelt, lusteloos. Kil. unsel, ongel. Sax. Holst. unöselig. Zie op oesel, glimmend kaarssnuitsel. Onselig, Geld. lui, slaperig. Zoo als vuil in het Η d. [faul] lui beteekent.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
onzalig , onzelig , vuil.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
onzalig , [vuil; slaperig] , onzelig , (bijvoeglijk naamwoord) , slaperig, vuil; onzelig in de hûd.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
onzalig , oezelig , (bijvoeglijk naamwoord) , Groezelig, smerig (de Koog); Synon. oetelig; zie aldaar. || Wat is dat schort oezelig.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
onzalig , onzelig , Vuil. Onzelig vat. Tegen iemand, die er vuil, ongewasschen uitziet.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
onzalig , oonzeleg , vuil, vies
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
onzalig , oezelig , smoezelig, groezelig (1914).
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
onzalig , oonzeleg , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , duf, onfris
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
onzalig , oêzelig , verpieterd [Via]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
onzalig , unzelig , smerig, vies, stinkend.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
onzalig , oonzelig , 1. traag en futloos; 2. slordig.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
onzalig , onzelig , 1. onzindelijk, bezoedeld, smerig; 2. niet helder (van weer) (Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
onzalig , unzeleg , vuil. Wat stiet dât toch unzeleg, um mâr zo op de grond te spiejn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
onzalig , onzillig , bijvoeglijk naamwoord , onzalig, niet bep. florissant
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
onzalig , onzelig , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , smerig, onzindelijk. Zie ook: poesterig, smoesterig, voel, podderig, poedelig.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
onzalig , onzelig , oonzelig, honzelig , smoezelig, smerig, onverzorgd.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
onzalig , unzelig , vies (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal