elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pees

pees , péze , (vrouwelijk) , pees.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
pees , pees , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zie de wdbb. – In oliemolens. Een stuk leer dat met een pen (de peespen) in de slagbeitel is bevestigd en dient om deze naar boven te trekken. Hiertoe zal men vroeger een pees gebruikt hebben. – Zegsw. aan de pees moeten, aan het werk moeten. || ’k Wou dat ’k van ochend nou maar es uitrozen kon, maar ik zel wel weer gauw an de pees moete, Sch. t. W. 280. Vgl. het bij de 17de-eeuwse Hollanders voorkomende ww. pesen in de zin van werken (OUDEMANS 5, 577).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
pees , piieze , vrouwelijk , pees
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
pees , peeze , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , peezn , peesken , pees
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
pees , peis , vrouwelijk , peize , peiske , pees; peis of peys: oude munt.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
pees , pees , peze, pieze , de , pezen , Ook peze (Zuidwest-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe), pieze (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. pees Het zwien weur ophangen an de ledder deur een kromstok deur de pezen van de achterpoten te stikken (Hijk), Ik heb een peze verrekt (Hol) 2. geslachtsdeel van stier, beer, ram of hengst, vooral gebr. als het dier geslacht is Leg die pees mor achteroet, dan kan hij dreugen (Sle), Vrogger zag ie op tied een keer een peze in de boom hangen om te drogen (Ros), Mit de peze wur de zaoge vet (Eco), meestal gebruikt in samenst. als bollenpees of zwienenpeze, z. ook pezering
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pees , peze , pees
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
pees , peze , pees.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
pees , peze , pees , zelfstandig naamwoord , de 1. pees, uit bindweefsel bestaand deel van een spier 2. hetz. als piezering
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pees , pès , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , pèze , pèske , pees , VB: De gesjlachde véreke woerte vreuger mêt de pèze aon de sjlachlödder opgehange.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
pees , pêês , pees.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
pees , piske , peesje.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
pees , peze , (zelfstandig naamwoord) , pees.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
pees , peeske trékke , met een zweeptol spelen
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
pees , piske , zelfstandig naamwoord , lontje (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
pees , pees , pees, spier , Dikke peze höbbe: grof gespierd zijn. In staofvleis zitte väöl peze.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
pees , pees , zelfstandig naamwoord , peze , peeske , pees
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
pees , pees , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , peêze , peeske , (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) pees
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
pees , pieës , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , pieëze , pieëske , (Weerts (stadweerts)) pees
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
pees , pees , zelfstandig naamwoord, verkleinwoord , piske , "piske; koord, touw, snoer (van rondgevlochten katoen) in de textielindustrie gebruikt voor aandrijving van machines; Anoniem – 1959 – ; en toen zeej de klène Kees: ""Vadder, ik heb naau wel unne hakdol; mar 'k heb gin stukske pees.""; (Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie); As de zon hil fel scheen staken wij pezen in braand, meej un braandglas, dè stonk zô lekker. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); Ok haktollen ging héél goed. Ge sloegt meej enne pees aon un stökske gebonden tegen enne tol, die ge irst meej oew haande liet draaien. Deur dieje tol elke keer goed te raoke meej dieje pees, blééf ie draaien. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); WBD pees (II:1031) - pees: drijfriem; ook: touw; WBD III.3.1:374 'pees', 'bullepees' = pezerik; Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PEES zelfstandig naamwoord v. - snaar van eene viool, een spinnewiel, enz. fig. gierigaard, schrok.; piske; verkleinwoord; van 'pees', met vocaalkrimping; peesje, katoentje van een lamp of kaars; de touwsoort die gebruikt werd om bij het kinderspel ‘haktollen’ de tol tijdens het werpen aan het draaien te brengen; Cees Robben – [Kinderen in een winkeltje:] Meneer, verkôôpte sewèèle nog drèèfdöllekes meej ’n zwipke en hakdöllekes meej ’n piske... (19800418); pees van een handboog; Cees Robben – ’t Taaije piske wier gespannen (19560714); de touwsoort die gemakkelijk brandt en smeult; Frans Verbunt: piske blaoze, piske braande - al blazend een eindje pees gloeiend houden"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
pees , paes , paeze , pees
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal