elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pluche

pluche , pluus , zelfstandig naamwoord, onzijdig , pluche
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
pluche , pluusj , pluche.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
pluche , pluus , het , pluche Dei hebt pluus op de stuiler (Nsch), As kiend vun ik stoelen mit pluus het toppunt van deftigheid (Noo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pluche , pluus , pluche
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
pluche , plusj , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , pluche , VB: E gerdyn van plusj, 'n plusje gerdyn.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
pluche , pluus , zelfstandig naamwoord, stoffelijk bijvoeglijk naamwoord , [korte u] ; pluche, pluchen. Heure pluusen hoed, op durre raoversbol... (Tony Ansems, Heure pluusen hoed; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2008)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal