elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: por

por , pōr , knobbel, gezwel, noest, uitwas.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
por , pook , (mannelijk, vrouwelijk) , Kleine jongen of meisje (te klein voor den leeftijd). Ook gebruikt men in plaats van pook: pö̀rk
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
por , pòrre , Een jongen of meisje, te klein voor den leeftijd. Vgl. pook. Bij de Bo vinden we: porre – wrat, puist enz.; kort, dik ventje.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
por , pook , (mannelijk, vrouwelijk) , Kleine jongen of meisje (te klein voor den leeftijd). Ook gebruikt men in plaats van pook: pö̀rk.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
por , pòrre , Een jongen of meisje te klein voor den leeftijd. Verg. pook. Bij De Bo vinden we: porre – wrat, puist enz.; kort, dik ventje.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
por , porre , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , rommel. In de porre zitn, in de lappenmand zitten; oet de porre wean, weer boven Jan zijn
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
por , porn , zelfstandig naamwoord, mannelijk , klein mensje
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
por , porre , por (lompe stoot)
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
por , pór , mannelijk , pórre , purke , watergang. De “pór in ’t Neilesgėtske”: oorspronkelijk overstort van de voormalige walgracht bij de Dobbelsteinpforte, via de “pór in ’t Neilesgėtske” en de goten van Plakstraat en Nieuwstraat naar de Molenbeek bij de voormalige molen
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
por , porre , por.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
por , por , porre , de , porren , (Zuidoost-Drenthe). Ook porre (Zuidoost-Drents veengebied) = stuk kienhout Keinholt zit er zat in het veen. Wie zeden eerder van porren (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
por , por , porre , de , poren , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook porre (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = por, duw Geef hum maar een flinke porre, dan wordt hij wal wakker (Bco), Hie gaf mij een por in de ribben (Bal)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
por , por , porre, purre , de, het , porren , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook porre (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe), purre (Zuidwest-Drenthe in bet. 1. en 4.) = 1. gezwel, wratje Wat hej een dikke porre op de wange! Niet ankomen, heur, want vingers bint vurig (Bro), Hie hef een por in de nak (Sle), ...porregie op de neuze (Die) 2. larve van de runderhorzel (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe), ook gezegd van de verdikking, die de larve veroorzaakt Die koou hef porren (Gas) 3. neusvuil (Veenkoloniën) Hij peuterde een dikke porre uut zien neuze (Erf) 4. ondeugend, vinnig, klein persoon, ook gezegd van een bijdehand kind Het is mar zo’n purre, mar ze regelt de boel wel veur twei (Ruw), Het is een klein porre, mar det zit in de familie (Dwij)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
por , purre , de , (Zuidwest-Drenthe) = 1. klein persoon Zij is niet groot, mar het is wel zo’n purre (Flu), Zo iene [gedrongen persoon], as hij ook nog klein van stok is, nume wij een purre, ...knurre (Hgv) 2. puist, z. por I
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
por , [om de eg aan te bevestigen] , por , om aan de eg te bevestigen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
por , por , porre , zelfstandig naamwoord , de 1. stomp, por 2. puistjes e.d.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
por , porrie , zelfstandig naamwoord , [Eng, power] kracht, druk D’r zit porrie in die vent Dat is een energieke man D’r stao veul porrie op die stôômketel Er staat veel druk op die stoomketel
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
por , par , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , parre , (Nederweerts) optater, por, stomp
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
por , por , bijzit, partner (van weduwen of gescheiden vrouwen); o, daar komp ze wir mè t’r’n por!
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal