elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: potstolp

potstolp , potstulp , (Ommelanden) = potschuddel; zie aldaar.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
potstolp , pòtstùlpe , zelfstandig naamwoord , potdeksel
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
potstolp , potstölpe , potstulp, potstulpe, potstolp , zelfstandig naamwoord , de; bep. rond stenen deksel op een pan
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal