elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: prinses

prinses , preensesse , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , preensesn , preensesken , prinses
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
prinses , prinsės , vrouwelijk , prinsėsse , prinsėske , prinses.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
prinses , prinsesse , prinses.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
prinses , prinses , de , prinsessen , 1. prinses Ze hef een verbeelding, ze kun de prinses van Engelaand wel wèzen (Ruw), Die löp er aaid as een prinses bij keurig gekleed (Sle) 2. prinsesseboon (Midden-Drenthe) In oous toen heb wij dubbele witten en prinsessies (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
prinses , preenses , zelfstandig naamwoord , de; prinses
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
prinses , preenses , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , preensesse , preenseske , prinses
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal