elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: regel

regel , regel , (vrouwelijk) , liniaal, van ’t Fr. règle. Ook rigchel is regel. Beide is goed.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
regel , régel , (vrouwelijk) , regel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
regel , regel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Rij. In de benaming regel van Westzaanden, voor (de rij huizen van) het dorp van die naam in tegenstelling met wat verder tot de ban van Westzaanden behoorde. Thans verouderd. || De voorsz. Schepenen van Westzaanden aen den Regel, ende Schepenen van den Lagendijk, Priv. v. Westz. 305 (a° 1626). – Egbert Huygensz. als Schepen in den Regel van Westzaanden, ald. 301 (a° 1624). – Evenzo vindt men bij HOOFT gesproken van een “regel boomen” voor een rij bomen (OUDEMANS, Wdb. op Hooft 259). – In de zin van rij is het woord te Krommenie nog gewoon. || Ze zitten allemaal op ’en regel.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
regel , regeltje , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Een soort van koek, die in dunne, hoge repen gesneden is. Inzonderheid te koop aangeboden in de tentjes op het ijs. || Regeltjes zo dik als tegeltjes.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
regel , reegl , zelfstandig naamwoord, mannelijk , reegls , reeglken , regel
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
regel , in de regel , meestal.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
regel , regel , zelfstandig naamwoord de , Ook: 1. Rij te velde staande gewassen. | Ik hew m’n tulpe op regels bouwd. 2. Deel van de koestal, waarbij men de lange en de korte regel onderscheidt. Zegswijze op de lange regel (laag) lègge (sleipe), ledikant aan ledikant liggen of slapen. – Azze we op de nuwe regel benne, als we het oude afgewerkt hebben. – Op regel weze, klaar zijn met opruimen, ordenen, inrichten enz.. Meervoud regels, in de zegswijze de regels hewwe, menstrueren (verouderd). Meervoud regge. Zie voor een zegswijze onder regknokkels.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
regel , reegel , reigel , mannelijk , meestal. Ės reegel zeen ich ’m waal in den unjere: meestal zie ik hem wel in het middaguur.; reigel regel, meestal
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
regel , reegel , mannelijk , reegele , reegelke , regel; verbindingsbalken in de vakwerkbouw.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
regel , regels , regels.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
regel , regel , riegel , de , regels , Ook riegel (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, vooral in bet. 4. en 5.) = 1. regel Elke regel begunt met een hoofdletter (Rol), Het stiet in de tweede riegel (Gro) 2. orde(ning) Hie hef gien regel in het wark gaat zonder overleg te werk (Sle), Hij kan gien regel holden (Row), ...gien örde en riegel holden orde houden (Geb), Hij is hielemaole van de regel van de kook (Bro), Der is in dat gezin totaal gien regel (Noo), Je moet wel zurgen daj de boel op regel hebt in orde (Dro), Örder en regel mot der weden (Eev), Hij hef ze allemaole niet op de regel is verward (Koe), Hij wil niet arg umliek; hij löp altied uut de regel (Rui) 3. lijn Hij schrif mooi op de regel (Hgv) 4. rij (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Hij hef de bieten mooi op riegel (Dwi), De kinder leupen mooi in de riegel (Eke), Een dubbele regel knopen (Flu) 5. volgorde (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Het giet op de regel of (Oos) 6. voorschrift Dat bunt de regels en door meut ie joe an holden (Bov) 7. (meestal mv.) menstruatie Ik bin van de regel menstruatie blijft uit (Nam), Oes wicht hef ieder keer weer last mit de regels (Ros), Die zit dan net met de regels (Anl) 8. in in / deur de regel doorgaans, gewoonlijk Deur de regel gaode wij twei keer naor de karke (Hgv), Met Pinkstern is het in, ...deur de regel mooier weer as met Paoschen (Sle) *Lange, lange regel / Twintig op een stegel / Dartig op een karkhof / Trekt er dan mar ienen of (Hgv), ...stiegel / Dartig in een rooie rok / Virtig is een bezemstok / Vieftig is een mooi hoesie aftelrijm (Bor), z. ook bij riegel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
regel , regel , de , regels , 1. hout van 4 x 6 cm. Der bunt heilwat regels an dei schure gaon (Bco), Raemholt van vere bij zesse bint regels (Dwi) 2. balk, waarin de stalpalen zijn bevestigd (Midden-Drenthe) Een stalpaol zit vaast an de regel (And)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
regel , riegel , de , riegels , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. rij Stoulen stunden in een riegel an het beschot langs (Vri), Allemaol op een riegel en de deugd in het midden (Man) 2. ril Wij hebt het heui mooi in riegels liggen, wij kunt het zo ophalen (Sle) 3. regel (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), Dat is een riegel oet een versie (Bei) 4. orde(ning) (Zuidoost-Drents zandgebied) In die hoesholding is gien örder of riegel (Sle), (-) dan is iederiene daor dèur de riegel wel mit ien eneumen (Wsv) *Lange, lange riegel / Twintig is de stiegel / Dartig is de riegellang / Veertig is de ummegang aftelrijm (vs), z. ook bij regel, riege
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
regel , regel , regel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
regel , riegel , riege, regel , zelfstandig naamwoord , de 1. rij, recht achter elkaar staande, liggende reeks 2. lange reeks, serie, flink aantal, vooral in verb. 3. in de kotte riegel rechte stal recht op de belangrijkste stal 4. regel in een boek, schrift enz., vandaar vooral: zin 5. vastgestelde wijze van handelen, gewoonte 6. richtlijn, voorschrift 7. orde, tucht 8. lat, rib, balk in een houtconstructie 9. lijn waarop men schrijft
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
regel , regel , uitdrukking , Hij’s deur de regel van drieje heene Hij is niet voor rede vatbaar (meestal in ongunstige zin); in de regel steeds, in het algemeen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
regel , rèigel , zelfstandig naamwoord mannelijk , rèigels , rèigelke , regel , VB: Dao zién rèigels vuur en dy môt m'r opvolge. Zw: Ién de rèigel: gewoonlijk. Zw: Aon de rèigels zién: ongesteld Zw: Sjiéte wie 'nne rèigel (rèiger); gewoonlijk ién de rèigel; lineaa VB: Dè rèigel ês zoe kroomp wie 'n ziékel, dao heb ich niks aon.; aon de rèigels zién regelmatig rèigelmaotig
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
regel , reegel , regel, voorschrift , De reegels hebbe. Ongesteld zijn.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
regel , reejgel , zelfstandig naamwoord , liniaal (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
regel , reegel , zelfstandig naamwoord , regel, periode; Henk van Rijen - ze hò aanders al vruug de reegels - nochtans was ze al vroeg ongesteld; WBD III.2.2:4 'regels' = menstruatie
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal