elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: roken

roken , roke , Rooken.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
roken , rooken , in: wij rooken; zooveel als: wij hebben last van rook, ’t rookt bij ons.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
roken , rooken , in: hij lōcht, ’t rookt hōm boven de kop, van iemand die grof liegt.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
roken , roken , (zwak werkwoord) , zie een zegsw. op boer, ootje I, en pijp.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
roken , rooken* , vergel. lijgen *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
roken  , rouke , rooken (vuur). Dae rouk daomei ein zwaor piep, hij krijgt daarmede groote onaangenaamheden.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
roken  , ruike , rooken van visch of vleesch.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
roken , röuken , rööken , zwak werkwoord , roken van vleeswaren
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
roken , rookng , werkwoord, zwak , roken; t rookngt um in de oong, hij ziet dat het te duur wordt
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
roken , ruekng , werkwoord, zwak , roken, van voedsel
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
roken , reûke , roken Spek, vis reûke Spek, vis roken.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
roken , rouke , werkwoord , Roken, in de zegswijze deer roukt ’t, daar hebben ze ruzie.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
roken , rouke , roukde, haet of is gerouk , roken. ’t Rouk, of wenter de ermekaolen haet gekreege: het rookt alsof hij de kolen van de bedeling heeft gekregen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
roken , ruike , ruikde, haet geruik , roken; vis of vlees door roken conserveren. Dae haet zich beruik: hij is van een koude kermis thuisgekomen. Geruikde bökkem: gerookte haring.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
roken , reuken , reuken, ereukt , roken van vlees.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
roken , roken , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. roken van rookwaren Jans, woj nog roken? De sigaren staot op taofel (Sle), (zelfst.) Ik heb een hekel an roken, mor zie wilt het niet laoten (Exl), De ogen deden mai zeer van het roken (Row) 2. roken van vlees Wij rookten de schinken in de schörstien (Bei), In het rookhok kan het vlais mooi roken (Een) 3. rook geven, walmen Wat bint ze daor an het roken met de eerpelrangen (Coe), Die kachel rookt (Eco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
roken , réuken , róóken , in de rook hangen, (b.v. ham, worst of spek), roken.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
roken , roken , roken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
roken , reukn , roken (tabak). Enkeln zek nog reukn, ’t meerndeel sprek van rookn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
roken , réúke , roken , Tusse róóke én réúke is verschil, róóke duu'de zéllef én in de schaauw réúke ze ham. Tussen roken en roken is verschil, roken doe je zelf en in de schouw roken ze de ham.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
roken , róóke , roken , Tusse róóke én réúke is verschil, róóke duu'de zéllef én in de schaauw réúke ze ham. Tussen roken en roken is verschil, roken doe je zelf en in de schouw roken ze de ham.
Zjuust 'n aauw kachel: niks doen és róóke én ûtgôn. Juist een oude kachel: niets doen als roken en uitgaan. Iemand die veel rookt en uitgaat, maar liever niet werkt.
Wór't nóójt rókt, is't ók nie wáérem. Waar het nooit rookt, is het ook niet warm. Ook bij fijne dingen kan er iets verkeerd gaan.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
roken , roken , werkwoord , 1. rook afgeven 2. hinder van de rook ondervinden 3. roken: van een pijp, sigaretten, sigaren 4. in rook (laten) hangen (voor de smaak, om duurzaam te (doen) worden)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
roken , rôôk , uitdrukking , Wie z’n geld wil zien schuive rôôk tebak en houw duive Geld uitgeven aan onnodige dingen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
roken , roüke , rueke , werkwoord , rokde, gerok, roükenterre/ruekde, geruek , roken , (afw.vormen o.t.t.) dich roks, hër rok, diér rok, geb.wijs mv. rok); (een sigaret roken) zich 'n segrêt roüke (zie 'roken') VB: Nao 't ëte rouk ich mich altiéd gên 'n segrêt.; reuke roken (van vlees of vis) rueke; zich eng roüke koffie (op de koffie komen) zich eng roüke (zie 'roken'); roüke wie 'nne zjwitser roken(veel roken) roüke wie 'nne zjwitser
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
roken , gerökt worre , gerookt worden
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
roken , ruuweke , in de rook hangen, gerookt worden
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
roken , roeweke , roken
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
roken , [conserveren] , hange te ruuweke , te roken hangen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
roken , rwôôke , roken.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
roken , roken , (werkwoord) , roken, erookt , roken.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
roken , rwôôke , rwokt, gewrokt , roken , rwokte gij nog? = rook jij nog? hij éé d’altij gewrokt = hij heeft altijd gerookt
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
roken , reuke , rukte, gerukt , roken, in rook hangen , Gerukte ham. Gerookte ham.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
roken , roken , verwaaien van zand of stuifmeel (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
roken , rouke , roukt, roukdje, gerouktj , roken , Dao kan de sjouw neet van blieve rouke. Vreuger roukdje väöl mansluuj de piep.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
roken , ruike , ruiktj, ruikdje, geruiktj , vlees of vis roken , Geruikdje sjónk: gerookte ham.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
roken , ruike , werkwoord , ruîktj/ruiktj, ruikdje, geruîkdj/geruikdj , roken (van vlees); geruikdje sjónk – gerookte ham
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
roken , rouke , werkwoord , rouktj, roukdje, gerouktj , roken, walmen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
roken , ruîke , werkwoord , roken van vlees
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
roken , gerukt , werkwoordsvorm , van ‘rôoke’; gerookt (van vlees of vis); Cees Robben – Cees Robben – Mee unne vurrukkullukke gerukte spekbukken toe... (19870220); Cees Robben – Hij hield van (...) braoikes... en van overschot... van kaoikes... en gerukte sprot.. van pirzekes op sap... (19590919)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
roken , rêûke , zwak werkwoord , rêûke - rukte - gerukt , roken (van vlees o.i.d.); WBD 'rôôke', rêûke', 'ruuke' - roken van vlees ter conservering Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - gerukte pòlling; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij rukt; Naglijder op basis van verwantschap met 'rooken' met scherplange oo; rùkt(e) - rookt(e) (overg.); tegenwoordige tijd sing., resp. verleden tijd van 'rêûke', met vocaalkrimping
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
roken , rôoke , zwak werkwoord , rôoke - rokte - gerokt , met vocaalkrimping; Ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij rokt; As ie rokt, ròkt ie van de wèès; uitdr. Et rokt er - het is er niet pluis; 2e + 3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'rooke', met vocaalkrimping; Dirk Boutkan (1996) - (blz. 40) Het postencliticum 'der' (er) veroorzaakt verkorting, b.v. ''k rok-der vier', maar (blz. 41): 'ik rôok-er vier'; 1. roken van tabak; Der wòrdt nie veul pèèptebak mir gerokt. - Er wordt niet veel pijptabak meer gerookt. Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - rôokende nòr de kèèrk is schèètend nòr de hèl (Handschrift Damen 1916); Cees Robben - Prent van de Week - as ge der ötschaajt meej rôoken èn drinke; Cees Robben - Prent van de Week - niks as rôoken èn ötgaon; ok al rôoket er meej toere; - al is het er nu en dan niet pluis. Interview Jolen - 1978 -  “Hil men lèève gerokt…siegaare… Jao, mar toenk nòg zo min was rokte ik nie veul siegaare, het gebeurde òf zôo, mar siegrètte nie, die hèk nôot gerokt!”. (transcriptie Hans Hessels, 2013); 2. niet pluis zijn; Cees Robben – Meej vrije daogen en kaoj weer dan rôôket bij ons thuis... (19650507); Cees Robben – [Man spreekt:] Ôôk al rôôketer [tookt het er] meej toere... Mar dè went van lieverleej.. (19610512); Henk van Rijen - ok al rôoket er meej toere - ook al spant het er wel eens; 3. roken van vlees; Het voltooid deelwoord is dan 'gerukt'; Elie van Schilt - Kwaamde bij de slager binnen en hingen er aon de haken vers gerukte hammen, worsten, ok die lucht kietelde oe neus, waordeur ge vanzelf trek kreegt. (Uit: ‘Ut stonk mar toch mis ik de stank van vruuger’; Cubra, ca. 2000); Assik ergens ene godsgruweluke hekel ha, dan waar et òn gebakke gerukt spek bè de èèrpel. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007); Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ROOKEN - schier uitsl. gebezigd in den zin van 'in den rook hangen; hesp rooken, spek rooken, gerookt vleesch'.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
roken , rouke , rokde – gerok , roken
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.
roken , ruike , rökde – gerök , roken (vleeswaren)
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal