elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rondom

rondom , rondümme , (vrouwelijk) , groot rond wittebrood.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
rondom , rōndōm , rōnōm , geheele snede van een roggebrood. “De rondom mit reven kees, dei Hilje mie ien ’n pompieren puil doan har, har ’k al lank achter knoopen”. Neder-Betuwsch rondommechie = boterhammetje; Oostfriesch rundum. Zie: ōmstōk.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
rondom , rōndōm , rōnōm , in ’t Westerkwartier rōndsōm, rōnz’m, voor: geheel, volkomen, volmaakt, in alle opzichten; ’t komt mie d’r rondōm, of: rōndōmrōnd noa veur dat hij (bv.) zien geld op het; hij ’s rōndōmrōnd ’n deugnijt = hij is een aartsdeugniet; ’t liekt rōndōm noa regen; de kinder bin rōndōm boas; ’t is mie rōndōm noa ’t zin; hij ’s rōndōm boer (= ōpendōp boer) = hij is met hart en ziel landbouwer, hij leeft voor dat vak. 1 Kon. 7:23: Voorts maakte hij de gegoten zee; van tien ellen was zij van haren éénen rand tot haren anderen rand, rondom rond, en van vijf ellen in hare hoogte, en een meetsnoer van dertig ellen omving ze rondom. Holl.: rommendom, rommenton. Synoniem met: ōpendōp.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
rondom , rondümme , (mannelijk) , rondümmen , Een geheele snede of plak roggebrood; meestal worden ze middendoor gesneden. Gr. rondom. In Drenthe zegt men: omstuk. De Jagerʼs Archief I.327.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
rondom , rondom , (bijwoord en voorzetsel) , Daarnaast rondsom (uitspr. rònsòm). Zie de wdbb. || Rondsom sting (stond) ’et land blank.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
rondom , rondom* , 2: Westerkwartier rondsom, rōnz’m.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
rondom , rondümme , (mannelijk) , rondümmen , Een geheele snede of plak roggebrood; meestal worden ze middendoor gesneden. Gron.: rondom. In Drenthe zegt men: omstuk. De Jagerʼs Archief, I, 327.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
rondom  , rôndum , rondom.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
rondom , rom-en-tom , rondom.
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
rondom , roondumme , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , rond brood
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
rondom , rondum , m , rondummes , dubbele snee(den) brood.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
rondom , rontelum , rondom.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
rondom , rondom , hele snee roggebrood
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
rondom , rondom , voorzetsel en bijwoord , Ook: overal. | Hai ken rondom teugen. D’r is rondom an docht. Ze benne op heden rondom voor in staat. Zegswijze rondom is wat, overal is wat, lief en leed.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
rondom , rónjtóm , rónjtelóm , rondom.; róntjelóm
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
rondom , roomtelum , roond-um.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
rondom , ròntelòm , voorzetsel , rondom.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
rondom , [snee roggebrood, krentenbrood] , rondumme , grote snee roggebrood of krentebrood.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
rondom , rondumme , rondom.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
rondom , rondumme , grote snee van roggebrood of krentenwegge.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
rondom , rondumme , rondom; * wie rondumme in ’t zoad zit, kik niet op een keurntie: waar veel is hoeft men niet te sparen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
rondom , rondum , bijwoord , rondom Het is rondom waoter (Row), Die koe is rondum goed er mankeert niets aan (Sle), Die zat rondumme in de rommel (Geb)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rondom , rondum , voorzetsel , rondom Ik moet rondom het hoes lopen kunnen (Gie), Ik gao nog even rondumme het huus lopen (Dwij), Zij is hum rondum de kop baos helemaal (Ruw), Hij kan hum rondumme de kop redden kan zich goed redden (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rondom , róndum , rondom.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
rondom , rondumme , voorzetsel, bijwoord , rondom
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
rondom , rondumme , zelfstandig naamwoord , (Kampen, Kamperveen) snee roggebrood
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
rondom , rondumme , rondom, hele snee brood.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
rondom , róntelum , rondom , Ik moet nog róntelum 't hûis ópgriessele én ópvèège, dé's nog 'n hil plak. Je moet nog rondom het huis opharken en opvegen, dat is nog een grote ruimte.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
rondom , rondomme , rondom , bijwoord , 1. eromheen, aan alle zijden 2. her en der, overal
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rondom , rommetom , bijwoord , rondom, aan alle kanten We zatte in 1953 rommetom in ‘t waoter
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
rondom , roontelöm , rondom , roontelöm VB: roontelöm de kërkfer sjtoën sjoen bûim.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
rondom , rôndum , rondom
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
rondom , rontelum , rondom
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
rondom , rommetom , rondom.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
rondom , rondumme , (bijwoord) , rondom.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
rondom , róndum , rondom
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
rondom , róndjóm , rondom , Róndjóm de pómp spuueldje de kinjer.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
rondom , rommetóm , rommentóm , bijwoord , ongeveer
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
rondom , rontelom , rontom , bijwoord , rondom (= rondalom, met verscherping van de d); Róntelóm de kiejòs waar veul vòlk. Zie daor naa dieën hoogen toren; rontelom in golvend koren (Piet Heerkens; uit: De Mus, ‘Dörp’, 1939); en oew haor lee fijn te kroezele; rontelom oew lief gezicht... (Leo Heerkens; uit De knaorrie (Piet Heerkens), ‘De non’, 1949); De Wijs – Wè lôpen de nunnekes d’r toch frèèt bij tegesworrig, vruuger waren ze rontelom toe (10-01-1970); Cees Robben – ’t bruujt rontelom... (19570309); Cees Robben – Pikdonker was ’t er rontelom (19590815); Volop meziek èn spèktaokel/ rontelom de Heuvelstraot. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Ik waoget mar nie'); Haor RONTELOM - rondom; WNT RONDOM, rontom, rondsom, rontsom; A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - róntelon, vz.+ bijwoord 'rontelurn', 'rontelom', - rondom; Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - 'rontelom' vz - rondom; A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - rommetom, rommedom - rondom (wnbr.); romtom; rondom; Cees Robben – Rontom aon alle kaant... (19600715)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
rondom , róndum , rondom
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal