elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rood

rood , roo , roode. In Gron. alleen in de uitdrukking: roo botter veur de spoan.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
rood , rood , voor: ongekleed, half naakt; rouw en rood loopen, alleen van vrouwen, ’t Gron. roeg en rau.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
rood , roo , (onzijdig) , het roo, de eierdooier, d.i. het roode.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
rood , rood , (bijvoeglijk naamwoord) , rooë , rood.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
rood , rood , (bijvoeglijk naamwoord) , Zie de wdbb. – Zegsw. ’t Is zo rood as een sleutel (van roestig ijzerwerk, ook van rossig geworden zwarte kledingstukken). – Zo rood as bier. || Die schoenen houdt de smeer niet op, ze worre (worden) zo rood as bier. – Zo rood as koek, van het haar gezegd. Ook koekrood. || Zen heer is zo rood as koek (hij heeft koekrood haar). – Vgl. verder het rooie haar op haar I. De vorm roô, die thans ongebruikelijk is, komt voor in verschillende eigennamen. || De Roo-duit (een pakhuis te Wormerveer). – De Roô-molen (op de Koog.). – De Roô Wachter (oliemolen te O.-Zaandam). – ’t Roô Hart (oliemolen te Assendelft; verbrand in 1787). – Het Roo-hek (stuk land te Jisp; wel zo genoemd naar een rood hek, dat er eertijds op stond). – Roo-ven (stuk land in de Kalverpolder, buitendijks), Polderl. Oostz. I (17de e.); Custb. (a° 1741). Die rooven-streep (in de ban van Westzaanden; thans onbekend), Polderl. Westz. II (a° 1629). Ook een stuk land onder Oostzaan heet de Roode ven.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
rood  , roeëd  , rood. Roeëd van gif, zeer kwaad zijn.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
rood , rood , zo rood als een sleutel, gezegd van iets dat zwart behoorde te zijn (1907).
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
rood , rood , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , mannelijk: roodn, vrouwelijk roo, on , rood, roodachtig bruin, roodachtig oranje
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
rood , root , rooer, rootste , rood. Root waere: blozen. Root haor en aelzenhout wis seljen op goue gronjt: lett. rood haar en elzenhout groeien zelden op goede grond. “Te heit in den aove gesjaote, of: te heit ingesjaote; beros; in de raenge gesjtange” aanduidinge
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
rood , rood , het , 1. rode kleur Rood stiet mij niet (Wijs) 2. onschuldig soort rode drank Een glassie rood kriegt de kinder nog wel met neijaor (Eke)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rood , rood , ro , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook ro (Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. rood Wat is de lucht mooi rood (Coe), Zij hebt daor van die rooie tulpen ien de tuun staon (Hgv), De kachel is glunig rood (Sle), Een ro weerschien van de zun (bb), Zo rood as een kreeft (Hgv), ...as bloed (Coe), ...vuur (Eex), ...een beit (Nor), ...een kraal (Eke) 2. politiek links Die kerel is zo rood as een vos (Sle) 3. rood(achtig) Dat wicht hef rood hoor (Bov), Een rooie vuurtoren haar rood haor (Row), IJ hebt geel koper en rood koper (Zwig) 4. rood als teken van tochtigheid (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Het zwien beert, het is zo rood as de bliksem (Nsch), ...hij hef het vasel al wat rood (Ruw) *Rood haor en elzenholt wordt op slechte grond verbouwd (Pdh); Beter rood haor op goeie grond as zwaart haor op een ezelskont (Nor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rood , róód , róói , rood. hij wier róód tot ááchter z’n òrre, hij werd rood tot achter zijn oren. wa hèdde toch ’n róói kleur, wat heb je toch een rode kleur.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
rood , rood , rood. Zo rood as een biete, Gunninks woordenlijst van 1908: zo rood as een kralle
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
rood , rooie , rode
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
rood , róój , rood , Bèèter róój haor óp goeje grónd, és zwart óp 'n eezelskónt. Beter rood haar op goede grond, dan zwart op een ezelskont. Haarkleur zegt niets over iemands inborst.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
rood , rood , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. van, met rode of roodachtige kleur 2. links in politiek opzicht
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rood , rood , zelfstandig naamwoord , et 1. rood, rode kleur 2. rode kaart die de scheidsrechter aan de speler toont ten teken dat hij het veld moet verlaten 3. aalbessenjenever, rode wijn of rode, alcoholvrije likeur 4. nadelig saldo, vooral: bij een lopende rekening 5. in Et schient uut een rood het is roodachtig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rood , roo , zelfstandig naamwoord , et; het optreden van morgenrood (in zomer of winter), vgl. Et roo gaot over de locht, d’r komt aander weer
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rood , rôôd , bijvoeglijk naamwoord , 1. rood Een kop zôô rôôd azzen brul Een erg rood hoofd Rôôd van binnene, rôôd van buitene, rôôd van zaddoek, rôôd van haer: zôô is de echte Sassenaer Rood van binnen, rood van buiten, rood van zakdoek, rood van haar, zo is de echte Sassenaar (rijmpje op de eigenschappen van de Sassenaar) 2. politieke kleur Nou wortie rôôd! Nu wordt hij links!
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
rood , roed , bijvoeglijk naamwoord , roejer, 't roedste , rood , (attr. m. roeje, vr. roej, o. roed, mv. roej, pred. roed.) VB: roed haor, roej verf. Zw: Zoe roed wie 'nne brik: dat gewër van de grinnedeer wäor zoe roed wie 'nne brik van de ros. Zw: De maks mich e roed liéf: je maakt me stapelgek. Zw: roed wërde: blozen
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
rood , roeje , bijvoeglijk naamwoord , cent , (geen rode cent) gèine roeje VB: Nao de Vastelaovend haw 'r wérkelik gèine roeje mie op z'n rubbe.; gèine roeje op z'n rubbe hebbe platzak (platzak zijn); gèine roeje op z'n rubbe hebbe
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
rood , roewed , roewej , rood, rode
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
rood , rwôôd , rood.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
rood , rwôôje , rode, roodharige, socialist.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
rood , rwooj , rood
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
rood , rooj , rójje , rood , Rooj hôr. Rood haar., Rójje kop. Rood hoofd.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
rood , rooie , rode; de rooie(n) (hebben), de rooie loop (hebben), de rooie vlag uut hebben hangen, de rooie waeke (hebben), ongesteld (wezen); rooie koorts, roodvonk; rooie steen, baksteen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
rood , roead , roeajer, roeadst , rood , Geine roeaje cent höbbe. Mèt roeaj uuerkes loestere. Veurroead.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
rood , roeëd , bijvoeglijk naamwoord , roeëj, roeëje , rood
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
rood , roeëd , bijvoeglijk naamwoord , roeëje; roeëjer, roeëdst , rood
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
rood , roej , zelfstandig naamwoord, onzijdig , (Nederweerts, Ospels) 't -, afscheiding, plakkerige, schurft
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
rood , rôod , rôoj, rôoje , bijvoeglijk naamwoord , rood; Henk van Rijen - rôoje tiest - rood hoofd; Schôon rôod is nie lillek. -Mooi rood is niet lelijk (gezegd van iemand met rood haar). Henk van Rijen - iemand meej en rooj paspoort - landloper, ex-gevangene; Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - beeter rooj haor dan blónd óp en eezelskont ('71); WBD I:1446 'rooj witbloem' = rode witbloem, bep. aardappelsoort; WBD I:1446 'blaeke rooj' = bleke rode, bep. aardappelsoort; Henk van Rijen - rôoj gerdèène vuuge daor nie bij - rode gordijnen staan daar niet bij; WBD III.2.3:177 'rode bezie', 'rode bezem' - rode aalbes; Rôoj gerdèène vuuge daor nie bij. - Rode gordijnen staan daar niet bij. Dirk Boutkan (1996) - et hèùs is rôod / rôoj - het huis is rood; iemand met rood haar; Frans Verbunt - rôoje rôoje, ik zal oe gôoje, meej ene stêen teegen oew bêen, meej ene klèùt teegen oew snèùt; rôoje rôoje, de kèèrk is èùt. Audioregistratie 1978 - Toen kwaam ik nèffe de rôoje Lèpper zitte, die zaat vur den irsten dag in de school! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels); Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - rôoje Stien = Christina Janssen-Quinten (blz. 45); ziekte; WBD III.1.2:367 'rode' = roodvonk; K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - ROIJEN HOND, roden hond, - roodvonk, roodgrond. Kiliaen: roodjonk, roodhond. socialistisch of communistisch; Interview met de heer De Kok (1978) – Koole Bond, dè was ginne rôojen bond mar hij was tussenin, hè…)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
rood , roeëd , rood
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal