elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: roodolmig

roodolmig , [rosachtige kleur] , roodolmig , de donkergele rosachtige kleur van den grond der slooten en beken uit oerachtig leem bestaande. Gron. roodoorn (klemt. op doorn) = ōr = oerachtige bodem, en: roodolmig = oerachtig. Wellicht zooveel als: roode aarde; Kil.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
roodolmig , roodolmîg , roodalmîg , (klemtoon op: dol), ook: roodalmîg = oerachtig. Zie: ōr, alsook: roo; Uit Blijham schreef men (1882): “Deze laatste wijze is vooral aan te raden op lichte klei of roodalmige gronden, omdat deze bij bemesting, den mest overal gelijkmatig kunnen opnemen.”
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
roodolmig , redolmeg , bijvoeglijk naamwoord , vervallen, vergaan
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
roodolmig , rodolmig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , rood, sterk ijzerhoudend Het water is hier aordig rodolmig, maor de smaak is wal good (Bei), In die putte zit rodolmig waeter, ie kunt er nog gien ummer mit schone kriegen (Dwi), z. ook redoerig
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
roodolmig , rodolmig , bijvoeglijk naamwoord , ijzeroer bevattend
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal