elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: roofgoed

roofgoed , roofgoud , (roofgoed) = tuinvruchten, appels, enz., bloemen, en wat maar voor ’t grijpen is en wat dan ook gewoonlijk geroofd wordt, doordien bv. een tuin niet genoegzaam afgeschut is. Oostfriesch, Nedersaksisch rôfgôd. (v. Dale: roofgoed = geroofde voorwerpen, prooi, buit.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
roofgoed , roofgoed , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Zie de wdbb. || Wees toch wat zuiniger, ’t is geen roofgoed (je komt er zo gemakkelijk niet aan, je hebt het maar niet voor het nemen).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
roofgoed , roofgood , zelfstandig naamwoord , t is gin roofgood, ’t hoeft niet meteen op
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
roofgoed , roufgoed , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze ’t is gien roufgoed, je komt er niet zo gemakkelijk aan.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
roofgoed , roofgoed , het , roofgoed Dat is net roofgoed, het vlög de winkel uut (Hol), Sinds de melkbussen zeldzaam eworden binnen, is het roofgoed eworden (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal