elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: snuiten

snuiten , snutten , en snutter = snuiten en snuiter.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
snuiten , snü̂̂ten , (sterk werkwoord) , snuiten.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
snuiten , snuten , snuiten; doar zel’k hōm wel veur snuten = dat zal ik wel beletten, of: ik zal het hem wel beletten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
snuiten , snuutn , werkwoord, sterk , 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: snot, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: snuet , 1 snuiten, 2 berispen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
snuiten , snute , snuiten De neus snute De neus snuiten.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
snuiten , sjnutse , werkwoord , sjnutsde, haet of is gesjnuts , snuiten; op scherpe wijze op zijn nummer zetten; de mond snoeren.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
snuiten , snutje , snuiten, zijn neus snuiten.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
snuiten , snötten , snuten , zwak werkwoord, overgankelijk , Ook snuten (Zuidwest-Drenthe, zuid) = de neus snuiten Ai mugt je neus wel is snötten (Row), Die man drokt de vinger tegen het iene neusgat en dan snöt hij mit het aandere (Bro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
snuiten , snutte , snuiten , Nummer èlf zègge ze teege 'n kiendje die nójt van iemeze snutte geliird hi. Nummer elf zeggen ze tegen een kind dat nooit van iemand snuiten heeft geleerd.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
snuiten , snuten , werkwoord , snuiten (van de neus)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
snuiten , snuute , snuiten.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
snuiten , snutte , snuiten, neus snuiten
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
snuiten , snutte , werkwoord , snuiten (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
snuiten , snutte , snutj, snudje, gesnutj , 1. een kaars doven, de lont afsnijden 2. de mond snoeren
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
snuiten , snötte , werkwoord , snötj, snötjdje, gesnödj , iemand ad rem van repliek dienen, iemand de mond snoeren, iemand op zijn nummer zetten, dekselen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
snuiten , snutte , werkwoord , snutj, snutdje, gesnutj , berispen, snoeren, vitten; snoête snuiten
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
snuiten , snèùte , sterk werkwoord , snuiten; B sneute - snoot - gesnoote - in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij snöt; Antw. SNUITEN - snuffelen, Fr. fureter, fouiller- levers niks te snuiten hebben — er niets te zeggen, niets in te brengen hebben.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
snuiten , snutte , zwak werkwoord , "snuiten; betrappen; bedriegen in geldzaken; N. Daamen - Handschrift 1916 – ""snutten - hij heeft ze gesnut van daag (verdiend)"" Cees Robben - 'o wee as ik ze (die jong) snut'; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - gesnut hèbbe (D'16) - goedkoop gekocht hebben: wè heetie ze gesnut; Pierre van Beek – Ge zult mèn nie snutte. '; Cees Robben – Toen wees ie me ’n  nisje aon/ en zeej dè is verlut... / As ik die jong te pakken krèèg../ O wee as ik ze snut... (19600708); Cees Robben – Mar snut irst oe neus (19640522); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - daor hoeft nie iedereen zen neus oover te snutte (VB'Tilburgse Taalplastiek 1968) - daar hoeft iedereen zich niet mee te bemoeien snutte - snutte - gesnut; Stadsnieuws - Ons Jantje wier dur ons moeder gesnut toen ie en snuupke vatte (= 'viet) (090308); Stadsnieuws - Oew neus snutte in ene zaddoek. - Je neus snuit je in een zakdoek. WBD III.1.2:245 'snutten' = snotteren; ook: 'snuiten'; Antw. Iemand snutten - hem een scheef antwoord geven, Antw. SNUTTEN - snuiten, Fr. moucher; fig. iemand snutten - hem te veel doen betalen of anderszins in den handel bedriegen. J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SNUTTEN, voor snuiten. Z.a. C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal – SNUITEN (snutte) ov. ww- 1) door blazen de neus reinigen; 2) beetnemen, bedriegen, bij de neus nemen, financieel te kort doen: ze snutten oe. Ook bij Bredero en Hooft. A.P. de Bont – zw.ww.tr. 'snutten' - snuiten; WNT SNUITEN, SNUTTEN"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
snuiten , snutte , snutde – gesnut , grissen; weggrissen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal