elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sopperig

sopperig , [zacht] , sopperig , (bijvoeglijk naamwoord) , week, zacht, sopachtig. Het land is sopperig, zegt de landman, als de bodem door te veel water week en slap geworden is.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
sopperig , sōbberîg , week, nat, van den bodem, waarin men al verder wegzakt. Ook = sōbbîg = niet helder in de lucht, met onweer bezwangerde dampkring. Gron. sōbbîg = troebel, niet helder; de lucht is sobbîg = niet helder aan de kimmen; alsof er een dunne nevel in de lucht zweeft; sobbîg woater = water dat troebel, niet doorzichtig is.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
sopperig , sopperig , (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord) , Ruim, niet sluitend; van kleren. Synon. sjokkerig. || Zo’n sopperige broek wil ik niet an. – Wat zie je goed sopperig.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
sopperig , sopperig , (bijvoeglijk naamwoord) , Zie de wdbb. – Ook van de grond. Dras, nat, week, zodat men er in wegzinkt. || Wat is dat land sopperig ’eworre deur al die regen. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 100) en in Friesland.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
sopperig , soppereg , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , nattig
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
sopperig , sopperig , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , 1. Soppende geluiden makend. 2. Drassig, doorweekt.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
sopperig , sopperig , soppig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook soppig (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = moerassig, nat Met aal die regen kan het lege laand geweldig sopperig wezen (Eke), Het is hier aordig soppig in het laand (Row), z. ook sjomperig, sotterig
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
sopperig , sòpperig , (Gunninks woordenlijst van 1908) vochtig, drassig
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
sopperig , sopperig , bijvoeglijk naamwoord , sopperig: zacht, week, modderig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
sopperig , sopperig , soppig , klef, waterig.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal