elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: spreker

spreker , sprekr , zelfstandig naamwoord, mannelijk , t Is nen goon sprekr den’t nen zwiegr verbetrt, spreken is zilver, zwijgen is goud.
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
spreker , sjpraekert , mannelijk , sjpraekesj , spreker.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
spreker , spreker , de , sprekers , spreker, prater Die man is gien beste spreker (Geb), Wij hebt vanovend een spreker (Wee)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
spreker , spreker , zelfstandig naamwoord , de; iemand die spreekt, in meerdere bet.; een vremde spreker een kletsmajoor
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
spreker , sprèkerd , sprèker , (zelfstandig naamwoord) , spreker.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
spreker , spraeker , spraekers , spreker
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal