elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sproeien

sproeien , sprö̂jen , (zwak werkwoord) , sproeien.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
sproeien , spruilen , (Ommelanden) = het zich verspreiden, niet bijeenblijven van een’ straal uit eenig vaatwerk, bv. uit een koffiepot. Vgl. ’t Hoogduitsche sprudeln, sprühen, en ’t Nedersaksische sprudeln.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
sproeien , sprööien , sproeien
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
sproeien , spreujn , werkwoord, zwak , sproeien
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
sproeien , sprujen , sprujen, espruujd , sproeien.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
sproeien , spuuskern , spuuschern, spuzen, spoezen, spruzen, spruuskern, , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook spuuschern (Zuidoost-Drents zandgebied), spuzen (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe), spoezen (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), spruzen (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), spruuskern (Zuidoost-Drents zandgebied), sproezen (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), sproeschern (Zuidoost-Drents zandgebied) = sproeien van een speen Een koe met een spreispeen spuuskert met het melken (Sti), Die koe spuust, ...spruust, ...sproest met ien tet (Gro), z. ook sproeien, spreiden, spoestet
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
sproeien , sproeien , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , sproeien Ik heb het laand sproeid, en ik was in eenmaol het roet kwiet ik heb een onkruidverdelgingsmiddel gespoten (Gas), As een koe sproeit, ...spuuskert, wordt e ofspeend (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
sproeien , spruuien , sprujjen, spruien , werkwoord , 1. sproeien 2. besproeien
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
sproeien , spruuien , (werkwoord) , spruuien, espruuid , sproeien.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal