elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: spuiten

spuiten , spaiten , spuiten. West-Vlaamsch speiten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
spuiten , späuten , zwak werkwoord , spuiten
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
spuiten , spùejtn , werkwoord, zwak , spuiten
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
spuiten , spèùtje , vloeistof met kracht door een nauwe buis naar buiten persen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
spuiten , spuiten , sterk werkwoord, (on)overgankelijk , 1. spuiten Je moet niet op de bloemen spuiten (Bal), Ik heb de raomen nat spoten (Eco), De kiender speuten mekaar kletsnat (Bro), Der wordt vet in de nippel spoten (Bui) 2. een spuit geven In het algemien kunt zusters beter spuiten as dokters (Ruw) 3. bespuiten Wie meut de eerappels nog spuiten (Bov), Hie hef de auto vanneis spuiten laoten (Odo), Ie meut de plaanten even spuiten, aans verdreugt ze oe (Pes)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
spuiten , spuiten , werkwoord , 1. spuiten (met een vloeistof, weke massa) 2. met gif, bestrijdingsmiddelen, schoonmaakmiddelen bespuiten 3. (van vloeistoffen) met een krachtige straal naar buiten komen 4. inenten 5. met een injectiespuit zich drugs toedienen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
spuiten , sjpuete , werkwoord , sjpödde, gesjpöt, sjpuetenterre , spuiten , (afw. vormen o.t.t. dich sjpöts, hër sjpöt, dier sjpöt) VB: V'r môtte de sjtôp nog sjpuete, muerge kömp de perséssie langs.; sproeien (met bestrijdingsmiddelen) sjpuete (afw. vormen o.t.t. dich sjpöts, hër sjpöt, dier sjpöt) VB: Allewyl môtte de kiëse nog gesjpöt wërde aanders krys te wörmkes drién
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
spuiten , sputen , spuiten , (werkwoord) , spöt, spoot, espöten , spuiten.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
spuiten , sputen , 1. spuiten; 2. spatteren.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
spuiten , spèùte , sterk werkwoord , spuiten; WBD spèùte - spuiten, verf op het leer brengen m. b.v. een spuitpistool of -machine (II 654); WBD spèùte (II:1028) - spuiten: vetten; ook: blaoze; WBD III, 4. 4:216 'spuiten' = idem, ook 'spritsen', 'gutsen'; B spèüte - spoot - gespoote - in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij spöt; A.P. de Bont – zw.ww.tr. - spuiten, spruiten, in heet water laten zwellen; spöt - spuit; DANB de rôome spöt öt den èùjer van de koej; tegenwoordige tijd sing, van 'spèùte', met vocaalkrimping; spôot - spoot verleden tijd van 'spèùte'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
spuiten , spuite , spaot – gespaote , spuiten
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal