elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stippen

stippen , [van stippen voorzien, indopen] , stippen , (zwak werkwoord) , stippen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
stippen , stippen , doopen, indoopen, geheel of gedeeltelijk met een vocht of eene pap of saus in aanraking brengen; ook Kil., Oostfriesch, Westfaalsch; doe mōst nijt te dijp stippen den is dien kopke vōt leeg; instippen = indoopen; mit de pen in de enktpot (of: enkenspot) stippen; ōpstippen = het bakje door stippen leeg maken, ook Oostfriesch – fig.: zich ergens op stippen = op spitsen, de zinnen op zetten. Zegswijs: kenst’r op stippen as Leffert op de kees = gij zult er vergeefs op wachten of hopen. (v. Dale: in de saus stippen = even indoopen; het woord: stip, voor: doop, saus, ontbreekt.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stippen , stippen , In den slachttijd was ʼt de gewoonte de kennissen uit te noodigen te komen stippen d.i. een boerroggen te komen eten, gedoopt in den ketel, waarin rolpens, leverworst enz. gekookt was.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
stippen , stippen , (zwak werkwoord) , Zie de wdbb. – Bij het omtellen. Een stip geven, beurtelings op de spelers wijzen; zie stip I. || Oegel de koegel, al op die man ’estipt, enz. (uit een omtelrijmpje, te Westzaan). Als uitroep wordt stip! bij een plagerij gebezigd. Men houdt nl. ongemerkt een vinger bij iemands wang en roept hem dan bij de naam, zodat hij omkijkt en tegen de vinger aanstoot, waarop men stip! zegt. Ook wel legt de roeper, als hij zich op enige afstand bevindt de wijsvinger tegen de neus en zegt dan stip! om de omkijker te ergeren. – Ook in het Stad-Fri.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
stippen , stippen* , bij v. Dale = even indoopen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
stippen , [traditie tijdens de slachttijd] , stippen , In den slachttijd was het de gewoonte de kennissen uit te noodigen te komen stippen, d.i. een boerroggen te komen eten, gedoopt in den ketel, waarin rolpens, leverworst enz. gekookt was.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
stippen , stipm , werkwoord, zwak , indopen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
stippen , stippen , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. dopen Die stukkies brood stipten ij in de pan (Sle), Even een stokkie stoete in de koffie stippen (Dwi), Hij stipte de pen in de inkt (Sle), Wai mugden eerder gien emmer met waoter in de krub staon laoten, want dan stipten peer het heui der in (Eev) 2. vogels vangen met de lijmstok (Kop van Drenthe) Hij gung seisies stippen met liemgaarden (Eel)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stippen , stippen , werkwoord , 1. stippen; 2. dopen (aardappel in de jus; brood of koekje in koffie of thee om het bijten te vergemakkelijken)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
stippen , stippen , werkwoord , stippen, indopen, met name van voedsel in drinken, vloeibaar eten, bijv. een stokkien brood in de koffie stippen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal