elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stolp

stolp , stulp , (vrouwelijk) , stulpen , boerenstulp, een vierkant gebouw met spits op één punt toeloopend dak, veelal met een staart of vleugel, dienende tot verlenging van den koestal. Zie de Boeren Goudmijn 1860 no. 8. De Noordhollandsche boer en zijn stolp van vroegeren tijd, door J. Bouman.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
stolp , stulp , stulpe, stölpe , deksel; potstulpe = potdeksel. Gron. stulp.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
stolp , stö̀lpe , (vrouwelijk) , stolp, deksel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
stolp , stulp , deksel van een aarden pot; Drentsch stulp, stulpe, stölpe = deksel; potstulpe = potdeksel, Oostfriesch stülpe, stülp. (v. Dale: stulp, stolp = glazen deksel.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stolp , stolp , stulp , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zie de wdbb. – Ook: een boerenwoning, waarbij woonhuis, schuur en stal zich onder één dak bevinden. Vaak in de samenst. boerestolp. Evenzo elders in N.-Holl.; vgl. BOUMAN in Tijdschr. v. Nijverheid 5 (1839), 657: “De bouworde der boerenwoningen is schier overal dezelfde: namelijk, die op de wijze van een vierkante stolp; vandaar noemt men hier ook doorgaans een zodanig huis, een boerenstolp”. In Friesl. heet zulk een woning stelp, stjelp, stjelp-húsing. – Eertijds heetten ook andere woonhuizen stolp. Vgl. Ned. stulp. || De stolp ofte wooninge van Cornelis (een Pachtersdienaer) op den afganck van Rustenburgh (SOETEBOOM), N.-Holl. Ontrust. 123. Ook worden stukken land, waarop een stolp staat, daarnaar genoemd. Vgl. Hoefakker. || Zyn bleeckvelden, genaemt die stolp, mit vier ackers dairafter (onder Oostzaanden), Hs. (a° 1559), prov. archief. Twee corte stolpjes, 125,0; noch de corte stolp, 137,7 (roeden) (op het Kalf), Polderl. Oostz. I (midden 17de e.). Een stuk weiland, genaamd de Stolp-erven, gelegen aan de Stolpsloot (in het Oostzijderveld), Verkopingsbiljet (a° 1879). De twee stolp-ackers, Polderl. Assend. I f° 72 r° (a° 1600). Die stolpacker (bij de Hoogendijk), Polderl. Westz. II (a° 1629). – Vgl. Papestolp.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
stolp , stölpe , vrouwelijk , stolp
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
stolp , stölpe , vrouwelijk , deksel van een pan of pot
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
stolp , stulpe , Pot-deksel. Ook bij Kiliaan.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
stolp , stùlpe , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , stùlpn , stùlpken , deksel. Doar lopt t vet ook neet ouwr de stùlpe, daar hebben ze ’t ook niet breed; t geet uw bouwn de stùlpe, ’t gaat hem boven de pet
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
stolp , stölp , m , stolp (b.v. een kaasstolp); mand zonder bodem (om visjes te vangen)
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
stolp , stolp , zelfstandig naamwoord de , Variant van stelp, o.a. in de samenstelling stolphoeve.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
stolp , stulp , zelfstandig naamwoord de , Ook: stolphoeve.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
stolp , stölp , stölpe, stulpe , de , stölpen , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook stölpe (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), stulpe (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën, dva) = 1. deksel (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) Ie hebt de verkeerde stölpe op de panne elegd (Die), De stulpen van de melkbussen lagen mooi op de riege op het rik (Nsch), Doe de stölp even op de bottervloot (Bor), Wij hebt een wild knien onder de stölpe in de pan (Flu), z. ook lid 2. leren bovenstuk van een laarsklomp (Zuidwest-Drenthe) *Der is gien pot of der past een stölp op (Sle); Zo pot, zo stölp (Ndo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stolp , stùlp , 1) glazen stolp; 2) eenvoudige woning.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
stolp , stòlpe , stolp
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
stolp , stölp , stolp , Ge moet nie zóó'n stûipe ûthaole, daolek lôt'te diejen aauwe glaoze stölp kepot valle. Je moet geen capriolen uithalen, dadelijk laat je die oude glazen stolp stuk vallen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
stolp , stölpe , stolp, stulp, stulpe, stelpe, störpe, sturpe , zelfstandig naamwoord , de 1. bep. bol, rond deksel, ook wel plat, houten deksel, vooral: deksel van aardewerken pan, vaak omgekeerd, op een voetje op tafel geplaatst en dan als schaal gebruikt met name voor de aardappelen 2. klokvormige kap over iets heen, glazen stolp, ook als bijnaam in gebruik 3. deksel van een gotling 4. min of meer klokvormige ren voor kuikens 5. klokvormige uitstulping 6. (vaak verkl.) stelphuizing, stelphoeve (vaak klein) 7. oud huis(je), klein boerenhuis
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
stolp , sjtuelp , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , sjtuelpe , sjtuelpke , stolp , VB: 't Slevroûwebeeld sjtèit oonder de sjtuelp.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
stolp , stöllep , stolp
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
stolp , stulp , stolp, glas waaronder beelden geplaatst worden;
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
stolp , stulp , potdeksel (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
stolp , stôlp , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , stôlpe , stölpke , stolp
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
stolp , stölp , zelfstandig naamwoord , stolp; glazen omhulsel (klok genoemd) om voorwerpen te beschermen en stofvrij te houden; WNT STOLP - 1) kom of klok waarvan de opening naar onder is gekeerd; 1 Meestal voor heiligenbeelden of katholieke huisvlijt; Op de kaast stonde nog twee heilige ieder onder enne glaoze stölp. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007); Èn op de schaaw ston en bild van Sintantooniejes onder ene stölp. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009; A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - zelfstandig naamwoord vr. 'stulp' - stolp, glazen klok tot overdekking v. een of ander beeld. WBD III.4. 1:67 stulpnisje' - tjiftjaf, fitis en fluiter (68); WBD (III.3.3:201) stölp, glasstölp, glaskoepel = stolp over een heiligenbeeld; 2 Om voedsel vers te houden, met name kaas; WBD (III.2.171) 'stolp', 'kaasstolp'; 3. Figuurlijk; Cees Robben – Onze pa en ons moeder hebbe me onder de stölp bewaord... [ik ben door mijn ouders beschermd opgevoed] (19820507); Cees Robben – Sint Jussep onder ’n stölp en ’t hellig hart op unne pietestalleke. (19851129)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal