elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stoter

stoter , stoter , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – Bij de papiermakerij. Stok met een blok hout aan het eind, waarmede de vilden in een kuip met water gestoten worden. Synon. stoothout. Zie vildestoterskuip.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
stoter , stuetr , zelfstandig naamwoord, mannelijk , stuetrs , stuetrken , 1 stamper, 2 stok om gaten te maken bij aardappelpoten
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
stoter , stôter , zelfstandig naamwoord de , Oude munt ter waarde van 12½ cent. Vgl. Fries stoater.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
stoter , stoter , de , stoters , (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, veroud.) = geldstuk van 12½ cent Die kerel, het is net of lachen hum geld kost en zien woorden een stoter het stok kost. Wat een butte! hij lacht niet en zegt bijna niets (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stoter , stoter , stoterd , de , stoters , Var. als bij stoten = beest, dat stoot Die koe is een stoterd (Zwe), Wat een steuterd van een kou (Eel)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stoter , stoter , zelfstandig naamwoord , de 1. iemand die stoot, dier dat stoot 2. oude munt van 12_ cent 3. in d’r gien stoter of moter van weten er helemaal niets van weten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
stoter , stôôter , zelfstandig naamwoord , stôôters , stôôtertie , paardenvlieg, horzel
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
stoter , sjtuter , zelfstandig naamwoord mannelijk , sjtuters , sjtuterke , karnstok , VB: De sjtuter woerd bié 't boëter sjtoete ién 't boëterväot op en neer bewoëge
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
stoter , stoeweter , stoter
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
stoter , stoeëter , zelfstandig naamwoord , stoeëters , stuëterke , een stok met aan de onderkant een ronde schijf met gaten erin, waarmee de melk met de hand werd gekarnd (op en neer bewogen) in een met melk gevulde melkbus
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal