elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: strabant

strabant , strabant , wat brutaal, en assurant, een haantje de voorste.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
strabant , strabant , (bijvoeglijk naamwoord) , brutaal.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
strabant , strabant , (bijvoeglijk naamwoord) , Brutaal (in daden) ʼn Strabante vlègel.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
strabant , strabant , (bijvoeglijk naamwoord) , Brutaal (in daden). ʼn strabante vlègel.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
strabant , strabbånt , gestreng, bars
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
strabant , strabaant , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , brutaal
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
strabant , strabánt , bijvoeglijk naamwoord , Gestreng, krachtig (verouderd). Het woord is eigenlijk het deelwoord van Oudfrans destorber = hinderen, belemmeren, ontleend aan Latijn disturbare = in verwarring brengen. Zie het N.E.W. onder strabant.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
strabant , sjtrabant , mannelijk , sjtrabante , sjtrabènjtje , guit, snaak.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
strabant , strabant , streng.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
strabant , strabant , strabaant, strebant , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook strabaant (Zuidwest-Drenthe), strebant (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. brutaal Dat jong is aordig strabant, die moew ies goed anpakken (Ndo), Wat een strabant vrommes is dat! (Oos) 2. (Kop van Drenthe), in Hij kun strabant optreden streng (Pei), (zelfst.) Wat een strabant van een jong (Sle), z. ook astrant
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
strabant , strabant , brutaal
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
strabant , strebant , (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) brutaal
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
strabant , strabant , fors optredend, eigengereid. ’t Is ’n strabante keerl, hie kump veule te kort an vrindelek wèèn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
strabant , strabaant , strebant , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , tegendraads, niet zelden in de contramine
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
strabant , strabantig , strabant , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , brutaal, streng.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
strabant , strabant , (bijvoeglijk naamwoord) , 1. resoluut, kordaat; 2. brutaal, lastig; 3. streng; 4. (bw.) heel erg.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
strabant , [deugniet] , strabant , (mannelijk) , strabante , strabentje , deugniet
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
strabant , strabant , zelfstandig naamwoord , strabante , strabanjtje , bengel, vlegel, kwajongen (vergelijk Weens: Strabanzer – werkschuw mens, leegloper, vagebond)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal