elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: strik

strik , strikken , breinaalden.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
strik , strik , (mannelijk) , strik.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
strik , strik , onzijdig , strik. ook: smal latje waarmee de zeis gescherpt wordt (strekel). zäisenstrik
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
strik , strik , zelfstandig naamwoord, onzijdig , strikke , striksken , slijpplankje voor zeis
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
strik , striek , m , strieke , striekske , strik, strikken, strikje; stropdas.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
strik , strik , zelfstandig naamwoord de , Ook: stropdas. | Doen die âre strik maar om, deus is smerig.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
strik , sjtrik , mannelijk , sjtrikke , sjtrikske , strik.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
strik , strik , slieps, das.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
strik , strik , strik.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
strik , strik , 1. stropdas; 2. strik.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
strik , strik , bijwoord , (Zuidoost-Drents zandgebied) = veel, heel wat Maor het is toch strik beter as een jaor of tien leden (ou:Bor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
strik , strik , strikke , de , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook strikke (Zuidwest-Drenthe) = voorwerp om zeis te scherpen Tussen rechter en linker dol zat het strikkie (Bei), z. ook strieklat, pikstrik
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
strik , strik , strikke , de , strikken , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook strikke (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) = 1. strik, strop Hij hef de liesters oet de strikken haald (Pdh), Olde haeze kent de strikken (Dwi), Ik heb de schoe in de strik daon gestrikt (Sle), Zie hef het wiegetouw met een strik um de rechtervoet (md:Bor) 2. haarstrik Ze har op keuneginnedag een oranje strik in het hoor (Bov) 3. stropdas Hol die strik is veur, dan kan ik zeein of die ok bij dat pak past (Eex) 4. (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), in op strik liggen a. op de loer (Hoh) b. gemaaid De eerste gie lag op strik (Dal) 5. breinaald (wm), z. ook stik
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
strik , strik , stropdas.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
strik , strikke , 1. stropdas; 2. strik
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
strik , strik , lang stuk hout met slijpmateriaal om de zeis te scherpen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
strik , strik , zelfstandig naamwoord , de, et 1. enkele of dubbele strik (van lint, touw, veters enz.) 2. haarstrik 3. stropdas 4. strik waarmee men wild vangt 5. hetz. als zendestrik
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
strik , sjtrik , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , sjtrikke , sjtrikske , strik , VB: De sjtrik sjtoûng sjtiéf van de sjtyfsel.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
strik , strik , stropdas
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
strik , strikke , (zelfstandig naamwoord) , 1. strik. Zie ook: lusse; 2. stropdas. Ook: (strop)dässe; 3. strik, val (voor wild).
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
strik , strik , strikke , stropdas.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
strik , strik , zelfstandig naamwoord, mannelijk , strikke , strikske , lus, strik, strop, strekel (gereedschap), strijkstok
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal