elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: taart

taart , toat , toart , taart; toatjes = taartjes. Vgl. koat, enz. zie: kouk.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
taart , taarten , mannelijk , taartien , taart
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
taart , taatn , zelfstandig naamwoord, mannelijk , taatns , taatjen , taart
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
taart , taerte , taart.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
taart , taart , taarte, taort, taorte, taorde , de , taarten , Ook taarte (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied), taort (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), taorte (Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe), taorde (Veenkoloniën) = 1. taart De taart is mij mislukt (Sle), Op dei taorde zitten morellen op (Eco), Exeler taarten scheldnaam voor inwoners van Exlo 2. (verkl.) gebakje Eerder kregen ze gien gebak, maor een taortien (Bor) 3. slome dikke vrouw (Zuidwest-Drenthe, noord) Een taorte is een slome, dikke vrouw, ook wat olderwets (Die) 4. (Zuidwest-Drenthe, zuid), in Ik krege deksels van de taarte kreeg de wind van voren (st:Hgv), De èerste de beste krèei die over kwam vliegen, kreeg zodaonig van tao(r)t, dat het wiefien hum een vèer oet de staart greep kreeg op zijn duvel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
taart , taarte , taart
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
taart , taerte , taertien , taart; taertien, gebakje.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
taart , taart , taarte , zelfstandig naamwoord , de; taart: bekend gebak
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
taart , toert , zelfstandig naamwoord mannelijk , toerte , tuurtsje , taart , VB: Vuur de kërmes heb v'r 'nnen toert mêt dik de krèm op, gebakke.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
taart , taort , taart.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
taart , toert , p taart.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
taart , tortje , taartje, gebakje.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
taart , taerte , (zelfstandig naamwoord) , taart.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
taart , taart , taarte , taertje , taart
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal