elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tamper

tamper , tamper , Zuurachtig, rinsch, zerp. Men zegt het van boomvruchten en andere eetwaren, die een smaak hebben, naar het zure trekkende.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
tamper , tamper , (bijwoord) , gematigd; tamper zûr, tamper zö̂te.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
tamper , tamper , zuurachtig, zacht, aangenaam zuur, (synoniem met: rens); wordt vooral van vruchten gezegd; ook Overijselsch, Geldersch, Zuid-Nederlandsch amper = zuurachtig, gewoonlijk: aangenaam zuur, van vruchten en spijzen. Vgl. ook Kil. amper = scherp, zuur, wrang, bijtend, enz.; Hoogduitsch Ampher, Sauerampher = zuring.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tamper , tamper , (bijvoeglijk naamwoord) , een weinig zuur, rinsch Zur bint d(i)ee appels n(i)eet, maor toch ʼn betjen tamper.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
tamper , tamper* , vgl. Hoogduitsch Ampfer, Sauerampfer = zuring
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
tamper , tamper , (bijvoeglijk naamwoord) , Een weinig zuur, rinsch. Zur bint d(i)ee appels n(i)eet, maor tòch ʼn betjen tamper.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
tamper , taomper , licht zuur
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
tamper , taampr , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1 zachtzuur, 2 mooi
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
tamper , tamper , iets zuur
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
tamper , tamper , zurig.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
tamper , tamper , een beetje zuur.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
tamper , tamper , taamper, temper , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook taamper (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord), temper (Pdh) = friszuur, zachtzuur, ook wat wrang smakend Proemenkreuze is lekker taamper (Die), Geweckte krudoorns smaoken tamper (Row), Wat broen sukker der bij, dan wur het wat taamper (Vri), De droeven zint non nog wat tamper, omdat ze nog niet goed riep zint (Zwig)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tamper , tamper , zurig
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
tamper , tamper , een beetje zuur. Met tamper bedoele wie ’n angenaeme, iets zoerachtege smaek.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
tamper , tamper , bijvoeglijk naamwoord , (m.b.t. de mond) stroef
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tamper , tamper , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , rins, zurig (bijv. van appels).
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
tamper , tamper , zachtzuur (van appels) (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal