elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: teuter

teuter , teuter , teutert , zie: teuten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
teuter , tuetrd , zelfstandig naamwoord, mannelijk , praatjesmaker
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
teuter , teuter , teuterd , de , teuters , 1. kletser, z. ook teutgat 2. iemand die niet opschiet Jopkie is zo’n teuterd, Haarm kreg vaok kaold of anbraand eten (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
teuter , teuter , teuterd , zelfstandig naamwoord , de; iemand die veel kletst, roddelt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
teuter , teuter , mond (misprijzend bedoeld).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal