elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tichelen

tichelen , ticheln , tichelsteenen en dakpannen bakken; ook: de daarvoor benoodigde klei graven. “Ook zegt de overlevering, dat de steen, waaruit de kerk opgebouwd is, getigcheld moet zijn uit een stuk land in de nabijheid gelegen,” enz. Te Appingedam zal worden verkocht (1869): “– eene in alle liniën verervende beklemming van 4 B. 82 R. land, met het regt om te tigchelen.” (v. Dale: † tichel = metselsteen; – Vgl. tegel, en: diggel.) Zie ook: oettichêln.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tichelen , tichln , werkwoord, zwak , steenbakkersbedrijf uitoefenen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
tichelen , tiggelen , werkwoord , erop los slaan
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal