elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tieren

tieren , tieren , aanstellen, gedragen. I tiert oe neet goed met dat dink, de wijze, waarop gij met dat ding omgaat, is verkeerd.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
tieren , tieren , reflexief , zich gedragen; zich mal tieren = zich als een zot gedragen: “zij tierden heur of ’r ’n moord plaas had hadd’.” Gron. zōk tieren = zich aanstellen, voordoen, den schijn aannemen; Friesch = zich aanstellen, in ongunstige beteek.; Oostfr. sük tîren, Holst. sik tieren, Nederd. tieren, MNederd. teren, Noordfr. huhm tieren = zich gedragen; Kil. tieren, tyeren = aanstellen, gedragen. Verwant met ’t HD. zieren, Nederl. sieren.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
tieren , tîren , (zwak werkwoord) , zich gedragen, drukte maken; zik z(i)eek tîren zich ziek houden, intr. ww. gedijen, welig groeien.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
tieren , tieren , (wederkeerend) = aanstellen, voordoen, vertoonen; zōk kwoad tieren = zich houden of men boos is; zōk dōm tieren = zich houden of men iets niet begrijpt; hij tiert zōk (of: hōm) moar zoo = ’t is maar voorgewend, hij speelt komedie; maltieren (klemtoon op: tie) = zich aanstellen of iets zeer erg is, bv. of men veel pijn heeft, of men zeer aangedaan is, daarover veel misbaar maken, en synoniem met: anstellerei; Stad-Groningsch wat tierste dij mal. Friesch: zich tieren = zich aanstellen, in ongunstigen zin; tierste dij dronken? hoe tierste dij so mal? maltierje = zich brooddronken, balddadig gedragen; Drentsch zich mal tieren = zich als een zot gedragen; Oostfriesch sük tîren = zich aanstellen, zoo houden; Holsteinsch sik tieren = zich aanstellen, gedragen; Middel-Nederduitsch teren. Noordfriesch tieren, Kil. tieren, tyeren. Verwant met ’t Hoogduitsche zieren, Nederlandsch sieren = tooien, opsmukken. (v. Dale: aantieren (volgens prof. de Vries verouderd) = zich voor het oog van anderen aanstellen altijd met het bijdenkbeeld van afkeuring.) Zie: mal, alsook: maltieren.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tieren , tieren , drukte maken. Zich tieren: zich druk maken.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
tieren , tiern , werkwoord, zwak, wederkerig , zich druk maken, in actie komen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
tieren , tieren , zwak werkwoord, onovergankelijk , tieren, tekeer gaan Hij deu niks as raozen en tieren, nich um an te heuren (Bov), Heur ze ies tieren en angaon (Koe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tieren , tieren , zwak werkwoord, onovergankelijk , weelderig groeien De bonen tiert gooud (Eex), Het onkruud tiert weelderig (Nor), De kalver tiert niet (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tieren , tieren , zwak werkwoord, wederkerend , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, ti) = zich gedragen, zich houden alsof Hij kun zuk tieren, of ze hum halfdood slagen hadden (Sle), (...) gungen die kèrels overèn staon en tierden heur om weg te gaon maakten aanstalten (ti), (...) want zie wus niet hoe aj oe bij grote heren tieren mussen (po), Zich mal tieren zich als een zot gedragen (dva)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tieren , tieren , 1. tieren (tekeer gaan); 2. lawaai maken; 3. groeien
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
tieren , tieren , werkwoord , 1. net doen alsof, zich houden alsof 2. in mal tieren zich dwaas aanstellen 3. gezond zijn en vaak: goed groeien 4. tekeergaan
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tieren , tere , werkwoord , teerde, geteerd, terenterre , tieren , VB: Raoze en tere, dat ês aal wat 'r kênt.; op 'nne tére slaag (iemand een pak slaag geven) op 'nne tére
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
tieren , taore , taortj, taordje, getaordj , tieren, foeteren
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
tieren , tiere , zwak werkwoord , tiere - tierde - getierd , (overvloedig) groeien; nie tiere - niet goed groeien, 'wègkwèène'; WBD III.1.4:278 'niet tieren' = heimwee hebben; WBD III.1.4:237 'tieren' = razen en tieren; lange ie; WNT TIEREN 3) goed groeien, gedijen, welvarend zijn
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal