elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: toebaat

toebaat , [toelage] , tôbate , (vrouwelijk) , toelage aan meiden en knechts boven hun loon.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
toebaat , touboat , (toebaat) = toelage, ondersteuning, wanneer de gewone inkomsten of verdiensten niet toereikend zijn om er van te leven; Oostfriesch tobate, tobât, bîbât, bîbate, Nedersaksisch tobate.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
toebaat , toobaate , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , extra-voordeel
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
toebaat , toebaat , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = toevallige winst, buitenkansje, extraatje Alles, wat wij der nou nog ofhaalt, is toebaot (Bor), Daor waas niet op rekend, het was toubaot (Wtv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
toebaat , tówbaot , toebaat, de kleren, die een knecht of meid boven het loon verdient.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
toebaat , towbaat , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , bijverdienste, toegift, beej -, als extraatje
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal