elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: treffen

treffen , treffen , overeenkomen; zij treffen menaor = de koop wordt gesloten. Nederl.: een vergelijk, de vrede treffen = de vrede sluiten.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
treffen , treffen , zooveel als: bij een dobbelspel met drie steenen, treffen en failen geheeten, ook: onder de negen of boven de twalm, elf of meer oogen werpen, mits op minstens twee der steenen evenveel oogen staan; de andere worpen worden niet geteld; failen = op die wijze minder dan elf werpen (gooien). Ook in Holstein (1800) een geliefkoosd dobbelspel, waar men het: elf, elf de besten, lütje elf, passedix, noemt. Hier zegt men ook: lutje elven (of: elm), wanneer men elf telt en zoo juist nog het spel wint.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
treffen , träffen , tröf, etröffen , treffen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
treffen , tràfn , werkwoord, sterk , 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: tràf(fe), 1e persoon enkelvoud verleden tijd: trù , treffen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
treffen , trėffe , tróf, haet of is getróffe , raken; treffen. Trufste dat: raak je dat?
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
treffen , treffen , sterk werkwoord, (on)overgankelijk , 1. treffen, geluk hebben IJ hebt het tröffen met je vrouw (Sle), Wie hebben het troffen mit het heuien wat het weer betreft (Vtm) 2. raken Hij trof hum precies in het gezicht (Bov), Met die ofbielding hef ze de sfeer goed etröffen (Noo), Hai is deur de bliksem troffen (Vtm) 3. tot stand brengen Daor mot een regeling veur troffen worden (Anl) 4. ontmoeten Ik troffe nog een olde kunde (Flu), (fig.) Dei hef zien man troffen, dei is noe koest hij heeft een gelijkwaardig persoon of een meerdere ontmoet (Bco), Hej mekaar troffen met de koop? zijn jullie het eens geworden? (Oos) 5. gebeuren As wij in het bos loopt, kan het wel ies treffen daw een nachtegaal heurt (Bro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
treffen , treffen , treft, tröf, tröffen, etröffen , treffen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
treffen , treffm , treffen, ontmoeten. Verleen jaor tröf ik Antien; zie kwam met de kruuwaagn van de bèèke.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
treffen , treffen , werkwoord , 1. (m.b.t. personen) tegenkomen, ontmoeten, vinden 2. (m.b.t. personen) overeenkomen, elkaar vinden, het samen goed kunnen vinden 3. toevallig geluk hebben, goed uitkomen 4. raken, nadeel ondervinden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
treffen , treffe , werkwoord , trof, getroffe , treffen , (afw. vormen o.t.t. dich tröfs, hër tröf) VB: Dat tröf dat ich dich noe hié zjus tref. Zw: Zich treffe: elkaar ontmoeten.; ontmoeten (elkaar ontmoeten); zich treffe (afw. tijden o.t.t. dich tröfs, hër tröf) VB: V'r treffen ôs öm haf twie op d'n hook van de Sjnyderssjtèg, ês dat good?
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
treffen , treffen , (werkwoord) , treft, trof, etröffen , treffen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
treffen , [ontmoeten ] , treffe , ich tref, doe trufs, hae truftj, wae treffe, tr , 1. treffen, ontmoeten 2. goed uitkomen , ’t Is eine zeldjen tref det se ’m trufs. Wae höbbe ós bie de kirk getróffe.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
treffen , treffe , werkwoord , treftj, trof, getroffe , 1. treffen, raken 2. geluk hebben met: dao höb ich ’t mèt getroffe – daar heb ik geluk mee gehad
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
treffen , treffe , treffe, zich , werkwoord , treftj, trof, getroffe , elkaar ontmoeten
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
treffen , treffe , werkwoord , treftj, trof, getroffe , geluk hebben, ontmoeten, raken
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
treffen , trèffe , sterk werkwoord , Dirk Boutkan (1996) - trèffe - tróf - getróffe; trof - verleden tijd van 'trèffe' trof
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal