elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: uitduitsen

uitduitsen , ü̂̂tdü̂̂tsen , Duidelijk maken. Dat zak u nu is netjes ü̂̂tdü̂̂tsen.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
uitduitsen , [verduidelijken] , ü̂tdü̂tsen , Duidelijk maken. Dat zak u nu is netjes ü̂tdü̂tsen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
uitduitsen , oetduutsn , werkwoord , duidelijk maken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
uitduitsen , uutduutsen , iets met woord en gebaar duidelijk maken
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal