elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: uithuizig

uithuizig , oethuuzeg , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , wild van gedachten, ijlend
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
uithuizig , uuthuzig , uithuizig.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
uithuizig , oethoezig , bijvoeglijk naamwoord , uithuizig, veel van huis Die kerel is slim oethoezig en zien wiefie zit aaid allennig (Eex), De vrouwen bint tegenwoordig oethoeziger as vrogger (Sti)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
uithuizig , uuthuzig , bijvoeglijk naamwoord , uithuizig: veelal buitenshuis zijnd
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
uithuizig , uutuzig , (bijvoeglijk naamwoord) , uithuizig.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal