elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: uitvensteren

uitvensteren , uutvensteren , een pak kijven geven, den mantel uitstoffen. Eig. afjagt en een blaauwe scheen geven. Bij het Vriesche en Saxische ras is het nacht-gevrij nationaal. Door de tusschenkomst van gedienstige vriendinnen wierd het meisje van de komst des minnaars vooraf verwittigd, die in het holste der nacht aan de vensters van haar slaapvertrek kwam, smeekende om binnengelaten te worden. Was hij aangenaam, de intrede was in en door het venster tot de minnares; was hij niet aangenaam, dan stak zij het hoofd ten venster uit zeggende: Gaat wiider; ik vermag ju nig, en daarmede was de ongelukkige uitgevensterd. Pl. d. utfinstern, id. Deze gewoonte is nog niet uitgestorven op het eiland Fehmarn aan de kusten van Wagerland in de Oostzee. Uit een woord, dat Jamieson in zijn Supplement heeft, merk ik, dat men dit nachtbedrijf ook onder de colonisten der Vriezen in Schotland gekend heeft. To sprog vertaalt hij “to court or to make love under the cover of night,” onder begunstiging der nacht met een meisje vrijen, en dit sprog beteekent eigenlijk vensteren. Isl. sprôgr, fenestra.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
uitvensteren , uutvensteren , Doorhalen, de les opzeggen, bestraffen, den mantel uitvegen, of gelijk men te Zwolle zegt ‘door de mostert halen.’ Vergelijk Halbertsma, Woordenb. v. h. Overijselsch.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
uitvensteren , ûtvensteren , (zwak werkwoord) , doorhalen; ’k zal üm wal zoo ûtvensteren, datte n(i)eet terügge kümp.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
uitvensteren , [uitvegen] , ü̂̂tvensteren , Uitveteren, uitschelden, de kast, den mantel uitvegen. Zie: ü̂̂tstükken.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
uitvensteren , ü̂tvensteren , Uitveteren, uitschelden, de kast, den mantel uitvegen. *Ook wel: ü̂tstaonvensteren, een standje geven. Zie: ü̂tstükken.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
uitvensteren , oetveanstrn , werkwoord , uitschelden
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
uitvensteren , uutvèènstern , berispen, de mantel uitvegen. As hie weer kump, zal ik ’m ’s uutvèènstern.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
uitvensteren , uutvensteren , (werkwoord) , (verouderd), berispen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
uitvensteren , uutvensteren , uitschelden (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal