elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vandehands

vandehands , vandrhaands , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , rechtse, van span paarden
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
vandehands , vanderhands , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. rechts, vooral bij een span paarden Het olde peerd kwaamp vanderhaands (Wsv), Die an de rechterhaand was vanderhaands, umdaj zulf links leupen (Eke) 2. onhandig (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Hie stiet daor vanderhands te warken anders dan je gewend bent (Sle) 3. slungelachtig (Zuidoost-Drents veengebied) Wat lop die der vanderhands bij (Klv), z. ook bijderhands
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vandehands , vandans , vanaans , vandehands, aan de rechterzijde lopend (van een paard). Een vandans peerd ‘een ouder paard dat samen met een jonger de koets trekt en rechts voor de koets loopt’. Ook: vanaans (Kamperveen). Zie ook: bi’jdans
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
vandehands , vanderhaans , vandehaans, vanderhaand, vandehaand , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. het meest rechts lopend, bijv. As twie peerden veur de waegen lopen, dan lopt et linker peerd bi’jderhaans en et ere vanderhaans; ook gezegd tegen het paard dat naar rechts moet; ook (zelfst.) de vanderhaanse het paard dat het meest rechts loopt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vandehands , vanderhands , vanderhaands , aan de rechterzijde lopend (van een paard in een tweespan).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal