elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: verguppen

verguppen , vegupm , werkwoord, zwak , verknoeien, door te kort te schieten te niet laten gaan
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
verguppen , verguppen , 1. dood laten gaan; 2. vernielen; 3. bederven. Dat eui is mien vergupt ‘het is mij overkomen dat dat hooi is bedorven; ik heb dat hooi laten bederven’; 4. Gunninks woordenlijst van 1908: zoek raken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
verguppen , verguppm , mislukken. Dât is mien weer vergup.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
verguppen , verguppen , (werkwoord) , verguppen, vergupt , 1. verknallen, mis laten lopen; 2. bederven; 3. dood laten gaan.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal