elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: verloop

verloop , verloop , veloop , ʼt Ve(r)loop ü̂̂thangen. Op den loop gaan. Tu den d(i)eender kwam, hingen de jonges ʼt verloop ü̂̂t.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
verloop , verloop , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Een bui wind, een plotselinge windvlaag. Synon. uitschieter. || As de wind hoog-Zuiden is en de lucht tilt in ’t N.-W., dan komt er gauw ’en verloop (de wind loopt plotseling om naar N.-W.). Hou je vast: daar komt ’en verloop wind an! Bij verlopen, bij vlagen, van tijd tot tijd. || Ik heb niet aldeur kiespijn, maar ik heb ’et zo bij verlopen. – Evenzo elders in N.-Holl. (Hs. Kool).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
verloop , [aan de wandel gaan] , verloop , veloop , ʼt Ve(r)loop ü̂thangen. Op den loop gaan. Tu den d(i)eender kwam, hingen de jonges ʼt ve(r)loop ü̂t.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
verloop , veloop , t veloop oethangen, er van door gaan
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
verloop , verloup , zelfstandig naamwoord ’t , Een bui met veel wind, een plotselinge windvlaag. Meervoud verloupe, in de zegswijze bai verloupe, bij vlagen, zeer ongeregeld. | ’t Is mit de prois van de bloemkoôl erg bai verloupe.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
verloop , verloup , onzijdig , verloop. ’t Kannaal haet te weenich verloup: het riool heeft een te gering verval.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
verloop , verloop , het , 1. verloop Nao verloop van tied gungen bij hum de ruge kaanten der wat of (Ruw), Het recht mut zien verloop hebben loop (Wsv), Het verloop under het personiel is groot (Dal) 2. geleidelijke versmalling Der zit verloop an die lappe stof die geert (Wsv), Bij geblokte stof hej nogal wat verloop (Gas), Det slootie muj een beetie mit verloop maken (Rui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
verloop , verloop , 1. angst. 2. op de vlucht slaan. ’t Verloop uuthangn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
verloop , verloop , zelfstandig naamwoord , et 1. het verstrijken (van tijd) 2. ontwikkeling, bijv. netuurlik verloop 3. het geleidelijk anders lopen (bijv. bij banen behang) 4. het geleidelijk beginnen, zich ontwikkelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
verloop , verlôôp , zelfstandig naamwoord , verloop Nae verlôôp van tijd kwam die hêêlemael verlôôpe trug Na verloop van tijd kwam hij helemaal verlopen terug
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
verloop , verloup , verluîp , zelfstandig naamwoord, onzijdig , verloop
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
verloop , verloup , verloop
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal