elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: waskamer

waskamer , waskaamr , zelfstandig naamwoord , was- en karnkamer in oude boerenhuizen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
waskamer , waskamer , de , (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën) = waskamer Ik mus de waskaomer altied schrobben. In de waskaomer was een geutstein en een geutgat (Ros), De achterkèuken of de waskamer (Nsch)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal