elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wellen

wellen , wellen , (transitief werkwoord) , zacht koken, tot kokens toe heet maken, van daar: biest wellen, wei wellen, gewelde biest, gewelde wei.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
wellen , wellen , de gemaaide aren in den oogst met een of twee welhaken bij elkaar voegen; ook Overijs.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
wellen , weln , werkwoord, zwak , 1 vloeien uit als een bron, 2 half gaar koken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
wellen , welle , welde, haet of is gewelt , wellen of walsen; opwarmen van eten, zie ook: walm.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
wellen , wèlle , met de rol over het land gaan.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
wellen , welken , onbepaald werkwoord , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe) = opkoken De bonen eerst even welken laoten (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wellen , wellen , zwak werkwoord, onovergankelijk , schoven maken IJ kunt er gien fetsoenlijke garve van wellen, het is almaol even fosserig (Sti), z. ook oetnemen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wellen , wellen , zwak werkwoord, overgankelijk , wellen, aan elkaar smelten van hoepels of wielen Pèerde-iezers maken, wagenhopels wellen, en Jans trök maor an de blaosbalg en sleug met de veurhamer (ov:Bei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wellen , wellen , een ingezaaid grasveld aanrollen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
wellen , wellen , werkwoord , wellen, rijzen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
wellen , wellen , werkwoord , 1. wellen, het gemaaide koren bundelen 2. bijna laten koken: van vruchten 3. smeden met gloeiend metaal, vooral: op elkaar drukken van gloeiend metaal, om aaneen te smeden 4. opborrelen, opkomen (bij iemand)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
wellen , [pletten] , wèlle , aanrollen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
wellen , welle , weltj, weldje, geweldj , 1. weken 2. platwalsen van grond , De boeane mótte ein nacht welle vuuer ’t koeake.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
wellen , welle , werkwoord , weltj, weldje, geweldj , het land gelijk walsen met een (houten) landrol
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
wellen , welle , werkwoord , aanrollen, vast, opwarmen, smelten van boter, wellen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal