elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wereld

wereld , wèreld , (vrouwelijk) , wereld.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
wereld , wereld , Zegswijs: midden in de wereld wezen = een vroolijk, aangenaam leven leiden, zonder zich aan uitspattingen schuldig te maken, genot van, schik in ʼt leven hebben; ʼt is nijt oet de wereld = ʼt is hier niet zóó ver vandaan of men kan er licht komen; ook: ʼt is wel afgelegen maar toch wel te bereiken. Toen men hier, omstreeks 1840, nog geene grindwegen kende, zei men van elk afgezonderd liggend dorp: daʼs oet de wereld. – de wereld is luttîk = ʼt is ʼn lutje wereld, zooveel als: men kan niet afzien, nl. bij zwaren mist; doar holt de wereld, en als versterking: de wiede wereld van op (wat men vooral in de Ommelanden hoort) = dat kan men zich niet voorstellen, ʼt is (althans voor den spreker) onbeschrijfelijk, en zal zooveel zijn als: daar staat de wereld (de menschen, het menschelijk verstand) voor stil; ʼk wijt in de wereld nijt hou dat wicht an zooʼn kerel komt; ik ken mie in de wereld nijt begriepen woarom zij hōm nemt; ʼt is ʼt mooiste weer van de wereld; de wereld is nijt roazend moakt! = ʼt heeft (of: ik heb, wij hebben) den tijd wel, wees maar kalm; daʼs de hijle wereld nijt = dat is (voor u, mij, enz.) eene geringe uitgaaf, als het zijn moet kunnen wij dat gemakkelijk betalen; vooruit Sietse, de wereld is rond! = ga je gang, doe je zin, vooruit maar! (vooruit, anders steeds: veuroet); ʼt geft wat in de wereld! = de menschenwereld levert van alles op, men hoort en ziet vreemde dingen, met de toevoeging, (wat voor eene woordspeling zal gelden): moar ʼt mijste mouje koopen, en zooveel als: elk moet maar zien dat hij zich er doorredt; Oostfriesch: ʼt gift sük wat in de welt; man ʼt mêste mut köft worden. Zie: godskoren, en: deuske.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
wereld , wereld* , zie ook jakkern *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
wereld  , waereld , wereld.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
wereld , weereld , vrouwelijk , wereld
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
wereld , weald , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , wereld
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
wereld , de wereld , in bepaalde uitdrukkingen, veel, een hoop
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
wereld , wirreld , zelfstandig naamwoord de , Wereld. Zegswijze ’t is ’n kloine wirreld, het is (zeer) mistig.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
wereld , wèèreld , zelfstandig naamwoord , wereld. Hij is de wèèreld niej öt. Hij is niet ver weg.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
wereld , wereld , wèreld, welt , de , Ook wèreld (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), welt (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. wereld Dat moej niet zo nao nimmen, want dan kuj in de wereld niet wezen (Bor), Zij woont op het aachterende van de wèreld afgelegen (Dwi), Mit zien neie fietse is hij de wereld te rieke (Ruw), De wereld is nait raozend maokt (Vtm), ...is niet raozend, doe mor rustig an (Eex), Het is maor een klein wereldtie gezegd als het mistig is (And), Dat is ja een gepeuter van de andere wereld; dat schöt ja niet op (Eri), Buurman gunk te keer, het was de hiele wereld mis helemaal mis (Exl), Hoe is het in de wereld meugelijk! hoe is het mogelijk (Hav), Hij lag tegen de wereld op de grond (Vle) 2. heel veel, Wie hebt van ’t joor de wereld kalenders kregen (Bco), Daor verhongert de wereld mèensken (Gie), Wij hebt de wèreld van die olde appelbomen (Hijk), Het stof verlop zo, ik bin er de wereld veur neudig (Zey) *Bèter in de wiede wereld as in een nauw gat gezegd als iemand een wind laat (Mep); Gekken en grieze ganzen koomt nooit oet de welt (Nsch); Recht deur de wèreld, mar dwars deur de pannekoke geen bedrog, maar... (Rui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wereld , wirruld , wereld.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
wereld , wereld , wereld
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
wereld , weerld , wereld.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
wereld , wirreld , wereld , Um géld én de kónt daor draojt hil de wirreld rónd. Om geld en de kont daar draait heel de wereld rond. Geld en sex doen de wereld draaien.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
wereld , wereld , zelfstandig naamwoord , de 1. hemel en aarde, alles wat geschapen is 2. de aarde, het aardoppervlak een andere, denkbeeldige wereld 4. omgeving 5. de mensen in het algemeen, de menselijke samenleving, de maatschappij 6. bep. samenlevingsverband 7. kring van andere wezens, bijv. de wereld van de keboolters 8. groot complex geheel, een grote verscheidenheid, bijv. Hi’j het de wereld boeken heel veel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
wereld , waereld , wereld , zelfstandig naamwoord , waerelde , waereldjie , [Obl] wereld Zôô de waereld zegt Zoals men zegt; Zôô de wereld zegt [Num] Naar men zegt
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
wereld , wèreld , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , wèrelde , - , wereld , VB: Dao ês vëul èilend oppe wèreld en vuur hebben hié zoe good. Zw: Dat zal oüch de wèreld neet koste: niet zo duur zijn. Zw: 'n Loch of de wèreld vergèit: een dreigende lucht. Zw: Van de wèreld aof: buiten westen Zw: Daan vergèit de wèreld: uitroep van opperste verbazing. Zw: Dè menk dat 'r eleng oppe wèreld ês: hij is een egoïst.; aarde wèreld; westen (buiten westen) van de wèreld aof
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
wereld , werreld , wereld
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
wereld , wèèreld , wereld.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
wereld , wirreld , wereld , Tis me ’t wirreldje wùl. Het is me het wereldje wel.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
wereld , werreld , wieëreld , (mannelijk) , werrelde, wieërelde , werreldje, wieëreldje , wereld, zie ook wieëreld , Baeter inne wieje werreld den in d’n inge boek: gezegd als iemand een wind laat.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
wereld , waereldj , zelfstandig naamwoord , werreldje , werreltje , wereld ook werreldj
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
wereld , werreldj , zelfstandig naamwoord , werreldje , werreltje , wereld; waat ein(e) werreldj! – wat leven we in een vreemde wereld (‘o tempora! o mores!’); det is ’s werreldjsj luîp – zo gaat het nu eenmaal in de wereld; ein vot wie ein werreldj – een dikke kont ook waereldj
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
wereld , werreldj , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , werreldje , werreldje , wereld
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
wereld , wèèreld , zelfstandig naamwoord , wereld; R Aachter men gat vergao de wèèreld (opmerking van onverschilligheid); Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden – Beeter in de wije wèèreld as in nen èngen bèùk. Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - waereld, waireld, wereld; De Wijs – Hij kan nooît z’n haande tuîs kaauwe, ik geleuf dettie erg van de wèreld is (17-10-1966); Cees Robben – Hij is echt vur de wèèreld..! (19661111); Cees Robben – Detter vuls te veul vrouwen op de wèèreld zen... (19720818); Cees Robben – De wèèreld is nie dur unne haos gedekt... (19780217) [haastige spoed is zelden goed]; Pierre van Beek - van de wèèreld zèèn - niet weglopen voor de erotiek; Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - wêreld (ê = fr. même); DANB die mòkte hil de wèèreld ònt vèèchte; Cees Robben - 'hij kekt onwèès de waereld rond'; WBD III.2.2:8 'op de/ ter wereld komen' = geboren worden; Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - wèèreld zn - wereld; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WERELD znw. v + m, fr. monde; A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.vr. 'werreld' - wereld, grond; Verh. WERELD (wéérelt) v - dikwijls gebruikt in de zin vans wereldse gezindheid, zin in erotiek en huwelijk: 'r zit gin wéérelt in - hij/zij zal wel een ongehuwd leven leiden. Haor WERRELD - wereld
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
wereld , werreld , wereld
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal