elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: windveer

windveer , windveer , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Hetz. als windvering; zie aldaar, 1. || Item aan elck ent te maecken twee wintveeren met een gevel daer op en op elck hoeck een deckplanck over de panne te wateren en wel wercklijk gevrocht, Hs. bestek spinhuis (a° 1664), archief v. Assendelft. – In de volgende oude aanhaling luidt het woord windweer. Indien deze vorm de oorspronkelijke is, zou de eigenlijke betekenis zijn: plank die de wind afschut, die voorkomt dat de wind onder het riet van het dak komt. || Item Rapurst van enen rafter (balk) toet (tot) eenre wintweer IIII sc(ellinc), Rek. v. Egmond, f° 26 v° (a° 1388).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
windveer , windvering , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Meerv. windverings. – 1) Aan houten gebouwen met spits toelopende gevel. Elk der beide planken, die aan weerskanten langs de gevel zijn gelegd van de nok tot de wormten. Synon. windveer. Bij de windverings sluiten zich aan de waterborden, die over de uiterste pannen liggen. || De donder heeft geweest int pakhuys van Cornelis M.; een stuk uyt de wintveer(i)ngh geslaagen, Journ. Hoogeboom, 4 juni 1729. 2) Op een binnenvaartuig. De balk voor en achter langs het ruim van het schip, tussen de rijswarings. De ene windvering ligt op de zeilbalk, de andere op de achter- of waterbalk. De windverings zijn van boven gewelfd, evenals de luiken die het ruim bedekken. – Het woord is ook elders bekend; zie de wdbb.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
windveer , weendviääre , vrouwelijk , windveer, verticale, spits toelopende plank ter bekroning van een spitse gevel
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
windveer , weendveare , zelfstandig naamwoord , plank langs de opstaande zijden van de houten voorgevel van huizen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
windveer , wénjtvaer , vrouwelijk , wénjtvaere , windveer.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
windveer , windvere , windveer.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
windveer , windveer , windvege , de , Ook windvege (Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. windveer Een windveer um erveur te zorgen dat de pannen neit opwaaien kunt (Wtv), De windveren hebt nogal wat te lieden, ie meut ze geregeld weer opschildern (Bov) 2. vederwolk (Zuidwest-Drenthe) Wiendveren in de locht, dan hej binnen drei daegen regen (Dwi), z. ook windstriem
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
windveer , wiendvere , zelfstandig naamwoord , de 1. windveer, plank langs de kant van een pannendak 2. vederwolk, langgerekt schapenwolkje
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
windveer , windvere , (zelfstandig naamwoord) , windveer.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
windveer , wèndvèèr , zelfstandig naamwoord , afdichtingsplank aan de rand van dakpannen; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WINDVEER znw.v. - bij timmerlieden: De windveren zijn planken, die men op het uiteinde van een dak nagelt om te beletten, dat de wind de pannen er zoude afwerpen.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal