elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zich

zich , zich , wordt soms voor elkander gebruikt: die honden bijten zich (voor elkander): die beide jongens hebben zich geslagen = met elkander gevochten.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
zich , zuk , zich, Gron. zōk, Oostfr. sük.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
zich , zik , (voornaamwoord) , zich.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
zich , zōk , (Oldampt, Westerwolde, Goorecht) = zik (Westerkwartier gedeeltelijk) = zuk = zich, waarvoor in de Ommelanden hōm, en: heur. Drentsch zuk, Oostfriesch sük, Middel-Nederlandsch sich, van ’t Hoogduitsch sich, Vgl. hōm.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zich , zich , Vooral in de omstreken hoort men hem en haar i.p.v. het refl. pron. I.p.v. het poss. staat zich in: Op zich Engelsch.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
zich , zik , wederkerig voornaamwoord , zich
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
zich , zik , bezittelijk voornaamwoord, 3e persoon enkelvoud , vrouwelijk zikne, onzijdig: zik, mee , zijn
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
zich , zoch , zich
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
zich , zich , zich.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
zich , zuk , zuch, zich, zok , wederkerend voornaamwoord , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook zuch (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), zich (Zuidwest-Drenthe, Noord-Drenthe), zok (Veenkoloniën) = zich Do hauwde hij is goud van zuch of (Bco), Hij verveelt zuk (Scho), Het is een hele oetgaove, mar het loont zuk (Coe), Der is gienien, die zuk der an steuten kan (Zwin), Ze het zok ook gauw wat moois kocht (Twe), Hie warkt zuk oet de naod (Oos), Hij hef gien naogel um zuch de kont te krabben (Gro), z. ook hum
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zich , zich , elkaar , zich (3e pers. mv.)
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
zich , zich , (wederkerend voornaamwoord) , zich. Ook: em.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal