elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afdekken

afdekken , [bedekken, slaag geven] , afdekken , iemd. Hem een pak slaag geven. Kom hier, ik zeije afdekke! (v. Schoth.: ofdekke).
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
afdekken , ofdekken , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. het dek eraf halen Ze meut de eerappeldobbe nog ofdekken (Bco) 2. pak slaag geven (Zuidoost-Drents veengebied) Ze hebt dei jong flink ofdekt, man het was ok een geweldige ondöcht (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afdekken , òfdekken , 1. afdekken, ergens een dek(sel) overheen leggen; 2. rieten dak van een huis verwijderen; 3. pak slaag geven (Kampen). Ook: òfdöppen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
afdekken , ofdekken , (werkwoord) , dekken of, of-edekt , afdekken.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
afdekken , ofdekken , afrossen, een flink pak slaag geven (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal