elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bonk

bonk , bonk , Groot of plomp stuk.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
bonk , bonk , (vrouwelijk) , bonken , brok, bult. Hij eet de bonken en schonken, de hond gaat met een bonk heen, hij snijdt er maar een bonk af. Van eene vette koe zegt men: het vet zit er aan bonken op. Een mager paard of knol noemt men een bonk.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
bonk , bonk , (mannelijk) , bonke , harde kluit aarde.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
bonk , bōnken , in geschrifte bonkaarde = het nietswaardige veen dat afgegraven in den reeds gemaakten veenkuil wordt geworpen; Drentsch bonkaarde, ook wel bolster, veennerf en tonkaarde geheeten; de schop waarmede dat veen wordt afgestoken heet daar: bonkijzer. Oostfriesch bunken = de bovenste steek der heide.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bonk , bōnk , bot, been, voorwerpsnaam en stofnaam Kil. bonck (Sax. Fris.) = been, Westfaalsch bonke, Oud-Friesch buncke. Van een zeer mager beest zegt men: ʼt is niks as hoed en bōnk; – van de bōnken vallen = sterk vermageren; Zegswijs: doar vind ʼe gijn bonken in = dat bezwaart zijn geweten niet, daarvoor deinst hij niet terug; ʼk heb ʼn bōnk in ʼt bijn, zegt men tegen kleine kinderen als men niet bij hen wil komen of opstaan om iets voor hen te doen; ook Oostfriesch, Holsteinsch; ʼt zit hōm in de bōnken = ʼt zit hem in merg en been, ʼt is bij hem diep ingeworteld. Spreekwoord: Hij het ʼn hondegeloof, ʼt vlais lijver as de bōnken = om het kerkgeloof bekommert hij zich niet, maar zijn eigenbelang weet hij wel te behartigen. Friesch: Hij het in honnegeloof, it flêsk ljeaver as de bonken. – Dei zōk (of: hōm) veur hond verhuurt mout de bōnken kloeven = de dienstbare moet zich het werk getroosten. Vlaamsch: Die hond is moet de beenen knagen. v. Dale: honden moeten botten knagen (of: kluiven) = de geringe moet zich met het geringe vergenoegen. (Zie v. Dale art. bonk, en: been.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bonk , bonk , (bònk) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zie de wdbb. – Ook: 1) Grote roggebroodspepernoot, vierkant van vorm en gebakken van roggemeel en stroop. Vgl. Ned. Wdb. III, 358, bonk in de zin van brok, klomp. || We hebben van de bakker ’en handje bonken toe’ekregen. Bonken, tien om een cent. 2) Bult, gezwel. Hetz. als bonkel; zie aldaar. || Wat hebben de vlooien je gestoken; je zitte vol bonken. 3) Dichte menigte, opeengepakte schare; alleen van vogels en vissen. Vgl. Ned. Wdb. 358: er zit een dikke bonk (een zware opeengepakte wolkenmassa) in de lucht, en 359: bonken, een tros vruchten (kersen, perziken, noten, enz. || Kijk, wat ’en bonk (zwerm) spreeuwen. Een bonk (school, troep) vis. – In W.-Friesl. spreekt men van een bonkel spreeuwen, een zwerm spreeuwen (Taalgids 1, 106). – Vgl. de samenst. houtbonk, houtzagersbonk.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bonk , bonk* , Nederlandsch: geen been in iets vinden of zien; ’t woord “bonk” ook bij v. Dale.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
bonk , bonk , Gereformeerde bonk! De duivel staat op honk! Scheldrijmpje van Roomsche kinderen tegen Protestantsche.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
bonk , bonke , bot, been
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
bonk , bonk , zelfstandig naamwoord de , 1. Iemand die of iets dat groot of grof in z’n soort is. | ’t Is ’n bonk van ’n moid! 2. Grote, grove aardappel. 3. Bult, puist. 4. Brok, stuk. | Geef moin maar ’n bonk worst. 5. Grote hoeveelheid. | D’r staat ’n bonk wind. Hai het ’n bonk geld urven. Meervoud bonke. Bonken, brokken. Zegswijze de bonke in z’n strot hewwe (kroige), een brok in zijn keel hebben (krijgen). – De lucht zit vol bonke, gezegd van een dikke, donkere wolkenmassa.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bonk , bónk , mannelijk , bunk , bunkske , bonk; doffe klap of stoot; veel of groot, ’ne Bónk sjtein: een massa stenen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bonk , bóngk , zwaar paard.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
bonk , bonke , 1. fors persoon. 2. groot stuk. 3. heel veel.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
bonk , bonke , 1. groot fors persoon; 2. groot stuk; 3. heel veel.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bonk , bonk , bonke , bonken , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook bonke (Zuidwest-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = 1. bot In een aol koou zit dikkere bonken as in een jonge (Eex), Een hond speult geern mit een bonke (Ros) 2. groot stuk Ik kregen mij daor een bonke vleis op bord, kolossaal (Hgv), Wat een bonken van eerdappels (Eel), Een bonke grond kluit (Nije), Een bonk veen spit (Bov), Een bonk mes een bol gestoken mest (Sle), Der zit een bonk ies in de vaort (Wes) 3. grote hoeveelheid In dat laand zit nog een hiele bonk veen (Bor), Dat hef een bonk geld kost (Erf), Het was ien bonk stof, ... vuur, ... rook (Pdh), Hij was ene bonk zenuwen (Hol) 4. stuk veen tussen twee greppels, waarlangs het water werd afgevoerd, meestal 10 m breed (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied), ... 9,87 m. (Odo), ... 28 voet (Ros), Een bonk is 10 meter in de lengte van de putte (Bco), Een bonke veen was van greppel tot greppel, ong. 10 meter lang (Geb), ... was een roe (Noo), Mien va hef een bonke veen ehuurd, kan hie mooi zölf de braand graven (Hol) 5. lomp, groot mens of dier Wat een bonke van een pièerd (Dwi), ... kèrel (Bei), ... meinse (Stu)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bonk , bonk , paard.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
bonk , bonke , 1. groot stuk; 2. veel. Een bonke lewaai ‘veel lawaai’; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: oude knol
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bonk , bonke , bonk, hoeveelheid.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
bonk , bonke , bonk , zelfstandig naamwoord , de 1. been uit een menselijk of dierlijk lichaam 2. brok, dik, hard stuk, ook: groot stuk 3. grote, zwaargebouwde man, jongen, groot dier 4. een heleboel, bijv. een bonke geld, een bonke vee
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bonk , bonk , zelfstandig naamwoord , bonke , bonkie , [O] grote donkere wolk De lucht zit vol bonke
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
bonk , boonk , zelfstandig naamwoord mannelijk , beunk , - , brok , VB: 'nne boonk vlèis. Zw: 'nne boonk van e keend: een flink kind.; stoot slag; boonk VB: 'nne Fleenke boonk oppe dëur gëve; 'nne bonk van e keend kind (flink kind) 'nne boonk van e keend
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
bonk , bônk , paard
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
bonk , bonke , (zelfstandig naamwoord) , 1. groot stuk. Een grote bonke; 2. grote hoeveelheid. Een bonke geld. Zie ook: bulte, kladde.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
bonk , bonk , bonke , (bijvoeglijk naamwoord) , 1. heel veel; 2. groot (een bonke van een meid).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
bonk , bonk , bonke , (zelfstandig naamwoord) , grote hoeveelheid.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
bonk , bónk ,  bunk ,  bunkske , bonk, groot van stuk , Bunk van aerpel höbbe: heel dikke aardappels hebben. Det is eine bónk van eine kaerel. Det zeen bunk van kaart die ich noe gekrege höb: buitengewoon goede speelkaarten.: buitengewoon goede speelkaarten.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bonk , bônk , boonk , zelfstandig naamwoord, mannelijk , eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); grote hoeveelheid, zeer veel, aardkluit, paard
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
bonk , bonk , zelfstandig naamwoord , bèls'; WBD zwaar paard (ook Hasselt), ook genoemd 'zwaore' of (Hasselt); WBD III.4.4:221 'bonk' = iets groots in zijn soort; WBD III.3.2:101 'bonken' = knikkers laten stuiteren
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal