elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: brandhoed

brandhoed , brandhoei , Brandhoei! roepen (riepen) de jongens iemand na die een bijzonder hoogen, of grooten, in ’t oog loopenden hoed op heeft. De pijpvoerders der brandspuiten hadden vroeger, en bij mijn heugenis, groote hooge geelwit-geschilderde cylinderhoeden op. Ik breng: brandhoei! daarmee in verband.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal