elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: deppen

deppen , deppen , met een doek of spons vocht (ergens) opbrengen (betten). afdeppen, deppende vocht afnemen; opdeppen, deppende vocht opnemen.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
deppen , deppe , werkwoord , Dopen, betten, bevochtigen. Vgl. Fries dippe.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
deppen , deppen , zwak werkwoord, overgankelijk , deppen Zien moe, mit een rooie kop, depte en wreef mit heur zakdoek der in umme (kv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal