elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: drol

drol , dròl , (mannelijk) , worstachtig uitwerpsel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
drol , drol , (zelfstandig naamwoord mannelijk en vrouwelijk) , Daarnaast droel. Iemand die onhandig en onbevattelijk is, dreutel, teut. || Daar laat me die drol alles uit ’r handen vallen. ’t Is toch zo’n droel, niks doet ze goed. Je bennen ’en droel, dat je dat niet eens begrijpe. ‒ Het woord is één met Ned. drol; vgl. een dergelijke overgang van betekenis bij Ned. dreutel, enz. De verwante woorden komen in allerlei uiteenlopende opvattingen voor; zie de wdbb. ‒ Vgl. drollen, drollig, drul.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
drol , droel , (zelfstandig naamwoord mannelijk en vrouwelijk) , Hetz. als drol; zie aldaar. ‒ Evenzo in het Stad-Fri.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
drol , drol , Een drol op je lippen! dat kun je denken; verbeeld-je dat niet, enz.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
drol , drul , zwakke, slappe man. - Zo’n ouwen drul! mot-tie (= moet die) nou noch trouwe?
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
drol , drol , 1. dom persoon. 2. hoopje poep
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
drol , drol , zelfstandig naamwoord de , Ook: stommeling, stuntel.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
drol , drol , bijvoeglijk naamwoord , (wb) = kort, dik en gezet Een drol ding gezegd van een meisje
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
drol , drol , de , drollen , 1. uitwerpselen De drollen van de honden ligt overal um het hoes (Bor), Wai hadden der heil wat van verwacht, mor het draait op een drol oet niets (Row) 2. minachtende uitdrukking voor een vervelend, verwaand, onnozel etc. persoon Wat bi’j ja een drol van een kerel, ik har jou wiezer dacht (Eex), Daor is neit veul bij, een drol van een vent (Vri), Wat een eigenwieze drol (Gie) 3. klein, dik persoon (Zuidoost-Drents zandgebied) Wat een klein dik drollegien van een wiefien is dat (Sti) 4. grap (Zuidwest-Drenthe) Hij vertelt nog wel ies een mooie drol (Uff), Hij altied mit zien drollen, het begunt nou te vervelen (Zdw), Dat was een mooi drollegien, wat die man veurdreug vertelsel (Pes)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
drol , drol , (Kampereiland) bangerd
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
drol , drölleke , babykoosnaam , Vur kléén kiendjes hébbe ze alderhande naome, zóó zègge ze'r ók óót drölleke teege. Voor baby's hebben ze allerhande namen, zo zeggen ze er ook ooit mopje tegen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
drol , drol , zelfstandig naamwoord , de 1. stuk drek, keutel 2. vreemde, suffige, vervelende persoon 3. teleurstelling, resultaat van niks
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
drol , drol , uitdrukking , drol wie hebbie gescheete Gezegd tegen een brutaal kind Zie ook stront
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
drol , drùlleke , schatje, innemend meisje, drolletje , Wa bénde toch ’n drùlleken een. Wat ben je toch een schatje! , Drùlleke drèèje. Poepen. Vies taalgebruik.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
drol , drullegien , drulletje , sukkel.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
drol , dròl , zelfstandig naamwoord , WBD III.2.2:16 'drol', 'drolleke' = liefkozend woord voor een kind; 34 'verwende drol' = verwend kind; WBD III.3.1:249 'drol' = grap
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
drol , drolletje , drolletje drie van Overschie; iemand die achteraan komt kakken
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.
drol , drol , dröl , drölke , drol
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal